De zeventiende eeuw was een turbulente periode voor de Nederlandse Republiek. Er speelden diverse politieke problemen, zoals de strijd tussen de Prinsgezinden en de Staatsgezinden. De Prinsgezinden steunden de stadhouders uit het Huis van Oranje, die streefden naar meer centrale macht en een monarchale positie. De Staatsgezinden daarentegen, vaak rijke regenten, verdedigden de autonomie van de gewesten en de republikeinse staatsvorm.
De bijzondere staatkundige positie van de Republiek uitte zich in het ontbreken van een koning of vorst. De macht lag bij de Staten-Generaal, waarin vertegenwoordigers van de zeven zelfstandige gewesten zaten. Elk gewest had een hoge mate van zelfbestuur. Dit zorgde voor een gedecentraliseerd bestuur, waarbij beslissingen vaak traag tot stand kwamen door de noodzaak van consensus tussen de gewesten.
Een belangrijk filosofisch gedachtegoed uit deze periode was het rationalisme, met denkers als Baruch Spinoza. Het rationalisme benadrukte het belang van rede en logica als bron van kennis, in plaats van traditie of religieus dogma. Dit gedachtegoed droeg bij aan een klimaat van intellectuele vrijheid en wetenschappelijke vooruitgang in de Republiek.