Op een logaritmische schaal worden waarden zoals 0.5 anders weergegeven dan op een lineaire schaal. De schaalverdeling op logaritmisch papier is gebaseerd op machten van 10. Dit betekent dat de afstand van bijvoorbeeld 1 tot 10 dezelfde lengte heeft als de afstand van 10 tot 100, en van 100 tot 1000.
Weergave van waarden onder 1:
De onderste lijn op logaritmisch papier is vaak 1 (wat 100 is). Waarden zoals 0.5 kunnen zeker bestaan en worden weergegeven, maar ze vallen dan onder deze 1-lijn als de schaal zo is ingesteld.
Het "midden" op een logaritmische schaal:
Een waarde als 0.5 ligt niet lineair halverwege 1 en 2 op de schaal. Het lineaire midden tussen twee getallen is niet hetzelfde als het logaritmische "midden". Als je bijvoorbeeld kijkt naar het midden van de afstand tussen 100 (1) en 101 (10) op de schaal, dan komt dat overeen met 100.5, wat ongeveer 3.16 is, en niet 5.
Het is belangrijk om te onthouden dat de afstanden op een logaritmische schaal de vermenigvuldiging weergeven, niet de optelling. Dit betekent dat gelijke afstanden op de schaal gelijke verhoudingen tussen getallen vertegenwoordigen, in plaats van gelijke verschillen.