Het deeltjesmodel beschrijft stoffen als opgebouwd uit kleine deeltjes (moleculen of atomen) die constant in beweging zijn. De manier waarop deze deeltjes bewegen en hoe dicht ze bij elkaar zitten, bepaalt de fase van een stof en hoe faseovergangen plaatsvinden.
- Vaste fase: De deeltjes zitten dicht op elkaar in een vaste structuur en trillen alleen op hun plaats. Ze hebben relatief weinig kinetische energie.
- Smelten (vast naar vloeibaar): Wanneer een vaste stof wordt verwarmd, krijgen de deeltjes meer energie en gaan ze sneller trillen. Bij het smeltpunt hebben ze genoeg energie om uit hun vaste posities te breken en langs elkaar heen te bewegen. De stof wordt vloeibaar.
- Vloeibare fase: De deeltjes bewegen vrijer en kunnen langs elkaar heen glijden, maar ze blijven nog wel dicht bij elkaar door aantrekkingskrachten. Ze hebben meer kinetische energie dan in de vaste fase.
- Verdampen (vloeibaar naar gas): Als een vloeistof verder wordt verwarmd, krijgen de deeltjes nog meer energie. Bij het kookpunt hebben ze genoeg energie om de aantrekkingskrachten tussen de deeltjes volledig te overwinnen en zich vrij door de ruimte te bewegen. De stof wordt gasvormig.
- Gasfase: De deeltjes bewegen snel en willekeurig, ver van elkaar verwijderd, en vullen de beschikbare ruimte. Ze hebben de meeste kinetische energie.
Omgekeerd vinden de overgangen plaats door energie te onttrekken:
- Condenseren (gas naar vloeibaar): De deeltjes verliezen energie, bewegen langzamer en komen dichter bij elkaar.
- Stollen (vloeibaar naar vast): De deeltjes verliezen nog meer energie en nemen weer vaste posities in.
Kortom, het deeltjesmodel verklaart faseovergangen door veranderingen in de bewegingsenergie (temperatuur) van de deeltjes en de krachten tussen hen. Hogere temperaturen zorgen voor snellere deeltjesbeweging, wat leidt tot smelten en verdampen.