De onderlinge ligging van twee lijnen beschrijft hoe de lijnen ten opzichte van elkaar liggen in een vlak. Er zijn drie hoofdsituaties mogelijk, die je kunt herkennen aan hun richtingscoëfficiënten (rc) en/of de verhoudingen van de coëfficiënten in hun vergelijkingen (bijvoorbeeld in de vorm ax+by=c).
De drie situaties zijn:
-
Snijdende lijnen
- Kenmerken: Twee lijnen snijden elkaar als ze precies één gemeenschappelijk punt hebben.
- Herkenning:
- Richtingscoëfficiënten: De richtingscoëfficiënten van de lijnen zijn niet gelijk. Als lijn 1 een richtingscoëfficiënt rc1 heeft en lijn 2 een richtingscoëfficiënt rc2, dan geldt rc1=rc2.
- Vergelijkingen (ax+by=c): Als je twee lijnen hebt, bijvoorbeeld ax+by=c en px+qy=r, dan zijn de lijnen snijdend als de verhouding van de x-coëfficiënten niet gelijk is aan de verhouding van de y-coëfficiënten: pa=qb.
- Speciaal geval: Loodrechte lijnen
- Loodrechte lijnen zijn snijdende lijnen die elkaar onder een hoek van 90 graden snijden.
- Herkenning: Het product van hun richtingscoëfficiënten is gelijk aan −1. Dus, rc1⋅rc2=−1.
-
Evenwijdige lijnen
- Kenmerken: Twee lijnen zijn evenwijdig als ze dezelfde richting hebben, maar elkaar nooit snijden. Ze hebben geen gemeenschappelijke punten.
- Herkenning:
- Richtingscoëfficiënten: De richtingscoëfficiënten van de lijnen zijn gelijk. Dus, rc1=rc2.
- Vergelijkingen (ax+by=c): De verhouding van de x-coëfficiënten is gelijk aan de verhouding van de y-coëfficiënten, maar deze is niet gelijk aan de verhouding van de constante termen: pa=qb=rc.
-
Samenvallende lijnen
- Kenmerken: Twee lijnen vallen samen als ze precies dezelfde lijn zijn. Ze hebben oneindig veel gemeenschappelijke punten (elk punt op de lijn).
- Herkenning:
- Richtingscoëfficiënten: De richtingscoëfficiënten van de lijnen zijn gelijk, en ook hun begingetallen (het punt waar ze de y-as snijden) zijn gelijk.
- Vergelijkingen (ax+by=c): De verhouding van de x-coëfficiënten, de y-coëfficiënten en de constante termen zijn allemaal aan elkaar gelijk: pa=qb=rc. Dit betekent dat de ene vergelijking een veelvoud is van de andere.
Voorbeeld:
Stel je hebt twee lijnen:
- Lijn L1: 2x+3y=6
- Lijn L2: 4x+6y=12
Om de onderlinge ligging te bepalen, kun je de verhoudingen van de coëfficiënten bekijken:
- pa=42=21
- qb=63=21
- rc=126=21
Omdat pa=qb=rc, vallen Lijn L1 en Lijn L2 samen.
Stel je hebt Lijn L3: 2x+3y=9
- pa=42=21
- qb=63=21
- rc=129=43
Omdat pa=qb=rc, zijn Lijn L2 en Lijn L3 evenwijdig.
Stel je hebt Lijn L4: 2x+4y=8
- pa=22=1
- qb=43
Omdat pa=qb, snijden Lijn L1 en Lijn L4 elkaar.