Hoe herken je een stijggetal en daalgetal in een woordformule?
Hoe herken je een stijggetal en daalgetal in een woordformule?
Hoe herken je een stijggetal en daalgetal in een woordformule?
Antwoord van Ainstein
In een woordformule beschrijft tekst hoe een bepaalde hoeveelheid verandert. Om een stijggetal of daalgetal te herkennen, zoek je naar het getal dat aangeeft hoeveel er steeds bij komt of afgaat, vaak in combinatie met een tijdseenheid (zoals "per uur", "per dag", "per week") of een andere eenheid (zoals "per kilometer").
- Een stijggetal is het getal dat aangeeft hoeveel iets er steeds bij komt. Dit getal zorgt ervoor dat het totaal groter wordt. Je herkent het vaak aan zinnen als "er komt ... bij", "groeit met ...", of "plus ... per".
- Een daalgetal is het getal dat aangeeft hoeveel iets er steeds afgaat. Dit getal zorgt ervoor dat het totaal kleiner wordt. Je herkent het vaak aan zinnen als "er gaat ... af", "vermindert met ...", of "min ... per".
Het getal dat eenmalig voorkomt (zoals een startbedrag of eenmalige kosten) is geen stijg- of daalgetal, omdat het niet "per" eenheid verandert.
Voorbeelden om het verschil te zien:
-
Stijggetal voorbeeld: Stel, je hebt de formule: "De kosten zijn 10 euro plus 3 euro per uur."
- Hier is 3 het stijggetal, want er komt elke keer 3 euro bij per uur. De 10 euro is het startbedrag.
-
Daalgetal voorbeeld: Stel, je hebt de formule: "Je hebt 50 koekjes en eet er elke dag 2 op."
- Hier is 2 het daalgetal, want er gaan elke dag 2 koekjes af. De 50 koekjes is het beginbedrag.
Oefenvoorbeelden:
Hieronder staan een aantal situaties. Probeer te bepalen wat het stijggetal of daalgetal is.
- Een taxibedrijf rekent €5 startkosten en €2,50 per gereden kilometer.
- Antwoord: Het stijggetal is €2,50, omdat dit bedrag per kilometer bij de kosten komt.
- Je hebt een cadeaubon van €40. Elke keer als je iets koopt, gaat er €5 van de bon af.
- Antwoord: Het daalgetal is €5, omdat dit bedrag elke keer van de bon afgaat.
- Een kaars is 20 cm lang en brandt elke minuut 0,2 cm op.
- Antwoord: Het daalgetal is 0,2 cm, omdat de lengte van de kaars elke minuut met 0,2 cm afneemt.
- Een plant groeit elke week 3 cm. Hij was al 10 cm toen je hem kocht.
- Antwoord: Het stijggetal is 3 cm, omdat de plant elke week 3 cm langer wordt.
- Een spaarpot begint met €25. Elke week wordt er €7,50 bij gedaan.
- Antwoord: Het stijggetal is €7,50, omdat dit bedrag elke week bij de spaarpot komt.
- Een ballon verliest elke minuut 0,5 liter lucht. De ballon begon met 10 liter lucht.
- Antwoord: Het daalgetal is 0,5 liter, omdat de ballon elke minuut 0,5 liter lucht verliest.
- Een abonnement kost €15 per maand, plus eenmalig €10 inschrijfkosten.
- Antwoord: Het stijggetal is €15, omdat dit bedrag elke maand terugkomt. De €10 inschrijfkosten zijn een eenmalig bedrag en dus geen stijggetal.
- Een zwembad wordt leeggepompt. Er zit 5000 liter water in en er gaat elke minuut 50 liter water uit.
- Antwoord: Het daalgetal is 50 liter, omdat deze hoeveelheid water elke minuut uit het zwembad gaat.
- Een online game geeft je elke dag 20 munten cadeau. Je bent begonnen met 100 munten.
- Antwoord: Het stijggetal is 20 munten, omdat je elke dag 20 munten extra krijgt.
- Een waterfles bevat 1,5 liter water. Je drinkt er elk uur 0,2 liter uit.
- Antwoord: Het daalgetal is 0,2 liter, omdat deze hoeveelheid water elk uur uit de fles verdwijnt.
- Extra uitleg en oefenen voor elk boek op school
- Stel vragen en krijg direct antwoord
- Video's, samenvattingen, oefenen, AI-tutor, woordjes leren en examentraining

Gerelateerde vragen
Vind antwoorden op vragen die gerelateerd zijn aan dit onderwerp.