Om de 'présent' (tegenwoordige tijd) in het Frans te herkennen, kijk je vooral naar de uitgangen van het werkwoord en soms naar hulpwerkwoorden.
Hier zijn de kenmerken voor regelmatige werkwoorden:
-
Regelmatige werkwoorden op -ER (zoals 'parler' - praten):
- De uitgangen zijn: -e, -es, -e, -ons, -ez, -ent.
- Voorbeeld:
- *je parle (ik praat)
- *tu parles (jij praat)
- *il/elle/on parle (hij/zij/men praat)
- *nous parlons (wij praten)
- *vous parlez (jullie praten/u praat)
- *ils/elles parlent (zij praten)
-
Regelmatige werkwoorden op -RE (zoals 'vendre' - verkopen):
- De uitgangen zijn: -s, -s, (geen uitgang), -ons, -ez, -ent.
- Voorbeeld:
- *je vends (ik verkoop)
- *tu vends (jij verkoopt)
- *il/elle/on vend (hij/zij/men verkoopt)
- *nous vendons (wij verkopen)
- *vous vendez (jullie verkopen/u verkoopt)
- *ils/elles vendent (zij verkopen)
-
Regelmatige werkwoorden op -IR (zoals 'finir' - eindigen):
- De uitgangen zijn: -is, -is, -it, -issons, -issez, -issent.
- Voorbeeld:
- *je finis (ik eindig)
- *tu finis (jij eindigt)
- *il/elle/on finit (hij/zij/men eindigt)
- *nous finissons (wij eindigen)
- *vous finissez (jullie eindigen/u eindigt)
- *ils/elles finissent (zij eindigen)
Onregelmatige werkwoorden:
Deze werkwoorden hebben hun eigen specifieke vormen die je vaak uit je hoofd leert. Voorbeelden zijn 'être' (zijn), 'avoir' (hebben), 'faire' (doen/maken) en 'aller' (gaan).
- Een handige tip is dat de 'tu'-vorm bijna altijd op een -s eindigt.
- De 'nous'-vorm eindigt bijna altijd op -ons.