Hoe bereken je verhoudingen in natuurkundige formules, inclusief hoe je de relatie tussen variabelen analyseert, hoe numerieke verhoudingen ontstaan, hoe je gegeven verhoudingen toepast in complete formules, wat je doet bij één gegeven verhouding, wanneer je variabelen mag wegstrepen en hoe je een formule herleidt?
Het werken met verhoudingen in natuurkundige formules is een krachtige methode om te begrijpen hoe verschillende grootheden elkaar beïnvloeden en om onbekende waarden te bepalen. Dit doe je door de relatie tussen variabelen te analyseren, gegeven verhoudingen toe te passen en formules te herleiden.
1. Verhoudingen tussen variabelen in een formule analyseren
Wanneer je een formule hebt met meerdere variabelen, kun je de onderlinge verhoudingen analyseren door één of meer variabelen vast te zetten (een specifieke waarde toe te kennen). Zo zie je hoe de overgebleven variabelen zich tot elkaar verhouden.
Voorbeeld:
Stel, je hebt de formule voor de inhoud (I) van een cilindervormig blikje:
I=0,78⋅d2⋅h
Hierin is d de diameter en h de hoogte.
Als je wilt weten hoe de hoogte (h) zich verhoudt tot de diameter (d) wanneer de inhoud (I) constant blijft op bijvoorbeeld 500 kubieke centimeter, dan volg je deze stappen:
Variabele vastzetten: Stel I=500.
500=0,78⋅d2⋅h
Formule omvormen: Isoleer de variabele die je wilt analyseren, in dit geval h:
h=0,78⋅d2500
Dit kun je vereenvoudigen tot:
h≈d2641,03
Uit deze omgevormde formule blijkt dat de hoogte (h) omgekeerd evenredig is met het kwadraat van de diameter (d). Dit betekent dat als de diameter twee keer zo groot wordt, de hoogte vier keer zo klein wordt om dezelfde inhoud te behouden.
2. Numerieke verhoudingen door kwadratische verbanden
Een specifieke numerieke verhouding, zoals 1/4, ontstaat vaak bij kwadratische of omgekeerd kwadratische verbanden tussen variabelen.
Voorbeeld:
De formule voor de oppervlakte (A) van een cirkel is:
A=πr2
Stel dat de straal (r) van een cirkel halveert. De nieuwe straal (rnieuw) is dan de helft van de oorspronkelijke straal (roud):
rnieuw=21roud
De nieuwe oppervlakte (Anieuw) wordt dan:
Anieuw=π(rnieuw)2Anieuw=π(21roud)2Anieuw=π⋅41roud2Anieuw=41(πroud2)Anieuw=41Aoud
Als de straal twee keer zo klein wordt, wordt de oppervlakte vier keer zo klein. De verhouding van de nieuwe oppervlakte tot de oude oppervlakte is dan 1/4.
3. Toepassen van gegeven verhoudingen in een complete formule
Wanneer je specifieke verhoudingen tussen variabelen krijgt, kun je deze direct toepassen om de verhouding van een andere grootheid te bepalen.
Stappenplan:
Schrijf de formule op voor twee verschillende situaties. Gebruik indices (zoals 1 en 2) om de variabelen van elkaar te onderscheiden (bijv. R1,T1 en R2,T2).
Deel de twee formules door elkaar. Hierdoor vallen eventuele constanten vaak weg.
Herschrijf de breuk als een product van de verhoudingen van de individuele variabelen.
Vervang de verhoudingen door de gegeven numerieke waarden.
Bereken de uiteindelijke verhouding.
Voorbeeld:
Neem de formule voor het vermogen (P) in een weerstand:
P=I2R
Hierin is I de stroom en R de weerstand.
Stel, je krijgt de volgende verhoudingen:
R2R1=41
I2I1=54
Om de verhouding van het vermogen (P1/P2) te vinden:
Formule voor twee situaties:
Situatie 1: P1=I12R1
Situatie 2: P2=I22R2
Deel de formules door elkaar:P2P1=I22R2I12R1
Herschrijf met verhoudingen:P2P1=(I2I1)2⋅(R2R1)
Vul de gegeven verhoudingen in:P2P1=(54)2⋅(41)
Bereken de uiteindelijke verhouding:P2P1=2516⋅41P2P1=10016P2P1=254
De verhouding van het vermogen in situatie 1 ten opzichte van situatie 2 is 4/25.
4. Scenario met één gegeven verhouding
Als je maar één verhouding krijgt, betekent dit meestal dat de andere variabelen in de formule constant blijven of dat hun verhouding impliciet 1 is (ze veranderen niet).
Voorbeeld:
De formule voor de kinetische energie (Ek):
Ek=21mv2
Hierin is m de massa en v de snelheid.
Stel, je krijgt alleen de verhouding van de massa's:
m2m1=41
En de snelheid (v) blijft hetzelfde in beide situaties.
Formule voor twee situaties:
Situatie 1: Ek1=21m1v12
Situatie 2: Ek2=21m2v22
Deel de formules door elkaar en vereenvoudig:Ek2Ek1=21m2v2221m1v12=(m2m1)⋅(v2v1)2
Vul de gegeven verhouding in en pas de aanname toe:
We weten m2m1=41.
Omdat de snelheid (v) hetzelfde blijft, is v1=v2, dus v2v1=1.
Ek2Ek1=41⋅(1)2=41
5. Wanneer mag je variabelen wegstrepen?
Je mag variabelen tegen elkaar wegstrepen in een formule wanneer ze zowel in de teller als in de noemer van een breuk staan en ze met elkaar vermenigvuldigd of gedeeld worden. De variabele die je wegstreept, mag niet gelijk zijn aan nul.
Voorbeeld:2⋅x5⋅x⋅y
Hier mag je de x wegstrepen (ervan uitgaande dat x=0):
2⋅x5⋅x⋅y=25y
Je mag niet wegstrepen als er plus- of mintekens in het spel zijn, bijvoorbeeld in xx+5.
6. Herleiden van een formule
Herleiden van een formule betekent dat je de formule zo omvormt dat een andere variabele 'vrij' komt te staan; je isoleert die variabele aan één kant van het is-teken. De basis hiervoor is de balansmethode: wat je aan de ene kant van het is-teken doet, moet je ook aan de andere kant doen.
Stappenplan:
Identificeer de variabele die je wilt isoleren.
Werk 'van buiten naar binnen' met inverse bewerkingen:
Eerst optellen en aftrekken: Verplaats termen die met een plus- of minteken aan de variabele vastzitten naar de andere kant.
Dan vermenigvuldigen en delen: Verplaats factoren die met een keer- of deelteken aan de variabele vastzitten.
Als laatste machten en wortels: Als de variabele in het kwadraat staat, neem je de wortel van beide kanten.
Voorbeeld:
Herleid de formule voor de zwaarte-energie (Ez) om de hoogte (h) te berekenen:
Ez=m⋅g⋅h
Variabele isoleren: We willen h isoleren.
Inverse bewerkingen: De h wordt vermenigvuldigd met m en g. Deel beide kanten door m⋅g:
m⋅gEz=m⋅gm⋅g⋅hm⋅gEz=h