Een kwadraat is het resultaat van het vermenigvuldigen van een getal met zichzelf. Dit wordt aangegeven met een kleine 2 als exponent (boven het getal).
Hoe bereken je een kwadraat?
Om een kwadraat te berekenen, vermenigvuldig je het grondtal met zichzelf.
-
Voorbeeld 1: Positief getal
Als je bijvoorbeeld 62 wilt berekenen, doe je:
6×6=36
Dus, 62=36.
-
Voorbeeld 2: Negatief getal
Als je het kwadraat van een negatief getal berekent, zoals (−5)2, vermenigvuldig je het hele negatieve getal met zichzelf:
(−5)×(−5)=25
Dus, (−5)2=25. Een negatief getal keer een negatief getal is altijd positief.
Verschil tussen (−5)2 en −(52)
Het is belangrijk om het verschil te begrijpen tussen (−5)2 en −(52):
-
(−5)2: Hier staat het minteken binnen de haakjes, wat betekent dat het hele getal −5 gekwadrateerd wordt.
(−5)2=(−5)×(−5)=25
-
−(52): Hier staat het minteken buiten de haakjes. Dit betekent dat je eerst 52 berekent en daarna pas het minteken ervoor zet.
52=5×5=25
Dus, −(52)=−25
Dit onderscheid is cruciaal om fouten te voorkomen bij het werken met kwadraten.