Bij somrijen kun je zowel u0 als u1 gebruiken als startpunt. De keuze hangt af van hoe de somrij in de opgave is gedefinieerd en welke term als de 'eerste' term wordt beschouwd. Je herkent dit aan de manier waarop de startwaarde van de rij wordt gepresenteerd in de opgave.
Wanneer gebruik je u0 of u1?
- Gebruik u0: Als in de opgave staat dat u0 de eerste term is, bijvoorbeeld "u0=15", dan begin je met u0. Dit betekent dat de 'nulde' term (u0) als de start van je rij wordt gebruikt. Je telt dan vanaf 0.
- Gebruik u1: Als de opgave expliciet aangeeft dat u1 de eerste term is, bijvoorbeeld "u1=10", dan begin je met u1. In zo'n geval is u1 de eerste term van je rij en tel je vanaf 1.
Formules voor somrijen
De formule die je gebruikt voor de som van een rekenkundige rij is afhankelijk van of je begint met u0 of u1.
-
Als je de somrij SN opbouwt vanaf u0 tot en met uN:
De formule is:
SN=21×(N+1)×(u0+uN)
Hierbij is N+1 het aantal termen, omdat je begint te tellen vanaf u0 (dus u0,u1,...,uN zijn N+1 termen).
-
Als je de somrij SN opbouwt vanaf u1 tot en met uN:
De formule is:
SN=21×N×(u1+uN)
In dit geval is N het aantal termen, omdat je begint te tellen vanaf u1 (dus u1,u2,...,uN zijn N termen).
Let dus goed op hoe de eerste term van de rij in de opgave wordt benoemd. Staat er u0 of u1 bij de startwaarde? Dat is de sleutel om te weten welke je moet gebruiken.