De Duitse aanval op de Sovjet-Unie, bekend als Operatie Barbarossa, begon op 22 juni 1941. Het was een grootschalige invasie met als doel de Sovjet-Unie snel te verslaan en haar grondstoffen en territorium te veroveren. De aanval was een verrassing voor de Sovjet-Unie, ondanks waarschuwingen.
De Duitse strijdkrachten, bestaande uit miljoenen soldaten, duizenden tanks en vliegtuigen, vielen aan langs een breed front, van de Oostzee tot de Zwarte Zee. De aanval was verdeeld over drie legergroepen:
- Legergroep Noord: Richting Leningrad.
- Legergroep Centrum: Richting Moskou.
- Legergroep Zuid: Richting Oekraïne en de olievelden in de Kaukasus.
In de beginfase behaalden de Duitsers aanzienlijke successen, waarbij ze grote delen van het Sovjet-territorium veroverden en miljoenen Sovjet-soldaten gevangen namen. Echter, de opmars stuitte op hevige weerstand, de uitgestrektheid van het land, logistieke problemen en uiteindelijk de strenge Russische winter. De Duitse troepen waren niet voorbereid op de extreme kou en de modderige omstandigheden, wat hun opmars vertraagde en tot zware verliezen leidde.
De aanval op de Sovjet-Unie markeerde een keerpunt in de Tweede Wereldoorlog, omdat het een tweefrontenoorlog creëerde voor Duitsland en de Sovjet-Unie een cruciale rol speelde in de uiteindelijke nederlaag van nazi-Duitsland. Een belangrijk keerpunt in deze strijd was bijvoorbeeld de Slag om Stalingrad.