De schuine zijde is de kortste zijde van een rechthoekige driehoek.
Eerst even een opfrisser over de stelling van Pythagoras. Deze stelling is van toepassing op rechthoekige driehoeken, en maakt het mogelijk om de lengte van de schuine zijde te berekenen als je de lengtes van de twee andere zijden weet.
Stel, je hebt een zijde van 2 en een zijde van 3, dan doe je:
•2 in het kwadraat (2x2) = 4
•3 in het kwadraat (3x3) = 9
•Optellen: 4 + 9 = 13
•De schuine zijde (bc) in het kwadraat is dus 13. Om de werkelijke lengte van bc te vinden, neem je de wortel van 13, wat ongeveer 3,6 is.
Diagonalen in een balk berekenen
Nu we de basisprincipes herhaald hebben, laten we toepassen wat we geleerd hebben op een balk.

Stel, je wilt de lengte van de diagonaal van punt A naar punt F berekenen. Deze diagonaal vormt de schuine zijde van een driehoek binnenin de balk. Door weer de stelling van Pythagoras te gebruiken kunnen we deze diagonaal berekenen:
•8 in het kwadraat = 64
•7 in het kwadraat = 49
•Optellen: 64 + 49 = 113
•Dus, de lengte van diagonaal AF in het kwadraat is 113. De wortel van 113 is ongeveer 10,6.
Voorbeeld: Diagonaal EG berekenen
Als je de lengte van diagonaal EG wilt berekenen, kijk je naar de driehoek gevormd door de punten E, G en F:
•EF in het kwadraat = 81 (want 9x9)
•FG in het kwadraat = 100 (want 10x10)
•Optellen: 81 + 100 = 181
•Dus, EG in het kwadraat is 181. De wortel van 181 is ongeveer 13,5.

Eindvraag: De omtrek van driehoek IKP berekenen
Als een afsluitende oefening, proberen we de omtrek van driehoek IKP te berekenen door de lengtes van drie zijden op te tellen. Dit betekent dat we de lengtes van de zijden IK, KP, en IP berekenen, elk gevormd door twee zijdes van een rechthoekige driehoek binnen de figuren.
•Voor IK, met zijdes 5 en 6, is de wortel 61 de lengte.
•Voor KP, met zijdes 4 en 5, is de wortel 41 de lengte.
•Voor IP, met zijdes 4 en 6, is de wortel 52 de lengte.
Door deze lengtes op te tellen, krijgen we een omtrek van ongeveer 21,4.















