Een shovel is een machine om zand mee te verplaatsen. In de bak van een shovel zit zand. Om het zand te storten, wordt de bak gekanteld.
In figuur 1 staat de beginsituatie. In deze beginsituatie zijn de bovenrand van de bak en de armen$A Ben$E Dhorizontaal. Punt$Bligt loodrecht boven punt$D.
Verder geldt in de beginsituatie:
•$A B=1{,}50 \mathrm{~m}, E D=1{,}80 \mathrm{~m}en$B D=0{,}25 \mathrm{~m};
•$Abevindt zich$0{,}30 \mathrm{~m}rechts van$Een$0{,}25 \mathrm{~m}boven$E;
•$\angle A E D=39{,}8^{\circ}.
figuur 1 beginsituatie

In figuur 2 staat de situatie als de bak enigszins gekanteld is. Bij het kantelen blijven de punten$B, Den$Eop hun plek. Door de buis bij$Auit te schuiven, wordt$A B 10centimeter langer gemaakt. De afstand$A Everandert niet. Hierdoor draait punt$Aom punt$Eheen. Arm$A Bloopt dan niet meer horizontaal en$\angle A E Dwordt groter.
figuur 2 enigszins gekanteld

