Leerdoelen
Na deze les:
•Je kunt strategieën toepassen om de betekenis van onbekende woorden te achterhalen.
•Je kunt het verschil tussen letterlijk en figuurlijk taalgebruik uitleggen.
•Je kunt belangrijke stijlfiguren herkennen en benoemen.
•Je kunt uitleggen wat beeldspraak is.
Wat doe je met onbekende woorden?
Gebruik een woordenboek
Neem bij toetsen altijd een woordenboek mee. Dit mag bijvoorbeeld ook bij het eindexamen.
Zoek in de tekst zelf
Soms kun je met de informatie in de tekst al een eind komen. Hiervoor zijn een paar handige strategieën:
1.Zoek een synoniem: verderop in de tekst staat misschien een ander woord met dezelfde betekenis.
2.Zoek voorbeelden: let op signaalwoorden zoals 'bijvoorbeeld' of 'zoals'.
3.Zoek een omschrijving: de betekenis kan in de tekst uitgelegd worden.
4.Zoek een tegenstelling: signaalwoorden zoals 'echter' of 'maar' kunnen helpen om het woord te begrijpen.
5.Zoek bekende woorddelen: als je een deel van het woord herkent, kun je soms de betekenis achterhalen. Bijvoorbeeld: Interland lijkt op Intercity (tussen steden), dus Interland betekent waarschijnlijk iets tussen landen.
Letterlijk en figuurlijk taalgebruik
Soms moet je bij het lezen bedenken: bedoelt de schrijver precies wat er staat, of iets anders?
•Voorbeeld: hij heeft een plaat voor zijn kop. Dit betekent niet letterlijk dat iemand een plaat op zijn hoofd heeft. Het betekent dat iemand, ondanks waarschuwingen, niet wil inzien dat iets verkeerd gaat. Dit is een voorbeeld van figuurlijk taalgebruik.
Spreekwoorden, gezegden en uitdrukkingen
•Spreekwoord: bevat een wijsheid of levensles en is een hele zin. Voorbeeld: niet geschoten is altijd mis (proberen is belangrijk).
•Gezegde: geen wijsheid of levensles, geen hele zin. Voorbeeld: op de valreep (net op tijd).
•Uitdrukking: bevat een werkwoord, maar geen wijsheid. Voorbeeld: lachen als een boer met kiespijn (je lacht, maar bent eigenlijk niet blij).
Vormen van beeldspraak
Vergelijking
Een object wordt gekoppeld aan een beeld. Voorbeeld: jouw kamer is een zwijnenstal (rommelig en vies).
Metafoor
Alleen het beeld wordt genoemd. Voorbeeld: ruim die zwijnenstal op! Hier ontbreekt het object (jouw kamer).
Personificatie
Iets levenloos krijgt menselijke eigenschappen. Voorbeeld: de zon lacht de kinderen toe.
Metonymie
Het verband tussen object en beeld is niet gebaseerd op overeenkomst, maar op een ander verband. Deze bijzondere verbanden bestaan uit:
•deel i.p.v. geheel of geheel i.p.v. deel.
•plaats/ruimte i.p.v. de ingezetenen.
•producent i.p.v. product.
•eigenschap i.p.v. persoon.
•Materiaal i.p.v. voorwerp.
•Voorwerp i.p.v. inhoud.
•Aardrijkskundige naam i.p.v. product.
Voorbeelden:
De koppen tellen (deel voor geheel: koppen staan voor mensen). Brazilië wint de wereldcup (geheel voor deel: het voetbalteam). Nog een glas graag (voorwerp voor inhoud: een glas cola).














