(1) Als jongeren op school
gestimuleerd worden om op jonge
leeftijd te gaan stemmen zou dat op
de lange termijn opleveren dat zij
vaker gaan. Er is echter geen
empirisch bewijs dat wanneer de
kiesgerechtigde leeftijd wordt
verlaagd, jongeren op latere leeftijd
vaker gaan stemmen.
(2) Een ander veelgehoord argument
is dat jongeren op 16-jarige leeftijd
allerlei rechten en plichten krijgen.
Vanaf hun 16e moeten jongeren
belasting betalen, kunnen ze een
bromfietsrijbewijs halen en mogen ze
een verzoek doen tot euthanasie,
maar het stemrecht ontbreekt.
Daarbij past wel de kanttekening dat
uit het bezit van allerlei rechten en
plichten op een bepaalde leeftijd niet
als vanzelfsprekend ook andere
rechten en plichten voortvloeien. Van
geval tot geval is een zelfstandige
inhoudelijke afweging nodig.
(3) Een argument dat
tegenstanders van een verlaging
van de kiesgerechtigde leeftijd
vaak gebruiken, is dat jongeren
nog niet goed genoeg in staat
zouden zijn om weloverwogen
keuzes te maken en de gevolgen
van hun (politieke) keuzes niet
goed kunnen overzien. Dit is
overigens een historisch veel-
gebruikt tegenargument voor de
uitsluiting van groepen van het
kiesrecht, zoals vrouwen, armeren,
tot slaaf gemaakten en in dit geval
dus jongvolwassenen. (…)
(4) Uit het voorgaande komen
geen doorslaggevende argumenten voor of tegen verlaging
van de kiesgerechtigde leeftijd
naar voren. Twijfels blijven. Het is
uiteindelijk vooral een normatieve
politieke vraag. In het licht van die
twijfels ziet de staatscommissie
ervan af om te adviseren tot het
verlagen van de kiesgerechtigde
leeftijd van 18 naar 16 jaar.
Staatscommissie parlementair stelsel, Lage drempels, hoge dijken (2018)
Bovenstaand fragment komt uit een eindrapport van een onderzoek in
opdracht van de Nederlandse regering, naar veranderingen in het
parlementaire stelsel.