Les over Taalverzorging - Schrijven zonder fouten

Les over Taalverzorging - Schrijven zonder fouten

Gemaakt door Ainstein
Taalverzorging - Schrijven zonder fouten
Deze video bestaat uit
  • OB - Nederlands - D2 - PresentatieOB - Nederlands - D2 - Presentatie
  • OB - Nederlands - C3 - PresentatieOB - Nederlands - C3 - Presentatie
Verberg docent
Afspelen
Geluid uitzetten
Afspeelsnelheid
00:00 / 09:58
Ondertiteling/CC
Instellingen
Volledig scherm
Presenter poster
Onderwerpen in deze video
Meer informatie

Hoe kun je correct schrijven zonder fouten te maken?

Leerdoelen

Je kunt de basisregels voor het gebruik van hoofdletters en leestekens toepassen.

Je kunt uitleggen wanneer en waar je een komma in een zin plaatst.

Je kunt de juiste verwijswoorden kiezen op basis van geslacht en getal.

Je kunt hulpmiddelen zoals woordenboeken en spellingcontrole effectief gebruiken om fouten te voorkomen.

Hoofdletters en leestekens

Als je schrijft, is het belangrijk om geen fouten te maken. Elke zin begint met een hoofdletter en eindigt met een leesteken. Dit kan een punt zijn bij een gewone, mededelende zin, een vraagteken bij een vraag, of een uitroepteken bij een zin met extra nadruk. Namen van personen, plaatsen, merken en rivieren schrijf je ook altijd met een hoofdletter. Let op: namen van dagen, maanden, seizoenen en windstreken schrijf je niet met een hoofdletter.

Het gebruik van de komma

Een komma helpt om een zin leesbaar te maken en rustpunten aan te brengen. Je gebruikt een komma in de volgende situaties:

Je zet een komma voor een voegwoord (zoals 'want' of 'maar'), behalve voor het woord 'en'.

Je plaatst een komma tussen twee persoonsvormen die direct naast elkaar staan.

Je gebruikt een komma tussen de delen van een opsomming, maar ook hier zet je geen komma voor 'en'.

Verwijswoorden en het antecedent

Een verwijswoord is een woord dat terugverwijst naar een woord dat eerder is genoemd, of vooruitwijst naar iets wat nog komt. Het woord waarnaar verwezen wordt, noemen we het antecedent. Het is belangrijk dat het verwijswoord past bij het woordgeslacht (mannelijk, vrouwelijk of onzijdig) en het getal (enkelvoud of meervoud) van het antecedent. Bij het kiezen van het juiste verwijswoord gelden deze regels:

Mannelijke woorden (de-woorden): Verwijs hiernaar met 'hij', 'hem' of het bezittelijk voornaamwoord 'zijn'.

Vrouwelijke woorden (de-woorden): Verwijs hiernaar met 'zij', 'ze' of het bezittelijk voornaamwoord 'haar'.

Onzijdige woorden (het-woorden): Verwijs hiernaar met 'het' of het bezittelijk voornaamwoord 'zijn'.

Meervoud: Gebruik 'zij' of 'ze' als onderwerp. Gebruik 'hen' als lijdend voorwerp of na een voorzetsel. Gebruik 'hun' als meewerkend voorwerp (zonder voorzetsel) of als bezittelijk voornaamwoord. Let op: 'hun' mag nooit het onderwerp van de zin zijn!

Hulpmiddelen bij het schrijven

Om fouten te voorkomen, kun je tijdens het schrijven en nakijken verschillende hulpmiddelen gebruiken:

Gebruik altijd het schema voor de werkwoordspelling om werkwoorden correct te vervoegen.

Zoek moeilijke woorden op in een woordenboek of via de website woordenlijst.org.

Gebruik de spellingcontrole op de computer. Let hierbij wel goed op: de spellingcontrole herkent niet alle fouten. Grammaticale fouten (zoals 'ik kloppen') of correct gespelde woorden die in de verkeerde context staan (zoals 'sloot' in plaats van 'slot'), worden vaak over het hoofd gezien. Blijf je tekst dus altijd zelf goed nalezen!