Les over 3 Smaak
Tekstverbanden en signaalwoorden
Tekstsoorten schrijven
Woordenschat: onbekende woorden en beeldspraak
Persoonsvorm
Werkwoordspelling overige werkwoordsvormen

Smaak: over tekstverbanden, brieven en taalverzorging
Leerdoelen
•Je kunt opsommingen en tegenstellingen in een tekst herkennen aan de hand van signaalwoorden.
•Je kunt een correcte zakelijke brief opbouwen en schrijven volgens de officiële richtlijnen.
•Je kunt beoordelen of iemand zichzelf op een goede en gepaste manier presenteert.
•Je kunt jezelf op een professionele manier presenteren tijdens een sollicitatie- of kennismakingsgesprek.
•Je kunt figuurlijk taalgebruik en uitdrukkingen in een tekst herkennen en de betekenis ervan achterhalen.
•Je kunt bepalen of de persoonsvorm in het enkelvoud of meervoud geschreven moet worden bij lastige onderwerpen.
•Je kunt het voltooid deelwoord van zowel sterke als zwakke werkwoorden correct spellen.
Verbanden en signaalwoorden
In teksten hebben zinnen en alinea's altijd met elkaar te maken. Ze houden verband met elkaar. Om een tekst beter te begrijpen, kun je letten op signaalwoorden. Een signaalwoord geeft aan met welk tekstverband je te maken hebt. In dit hoofdstuk leer je over de twee belangrijkste tekstverbanden:
•Opsomming: Hierbij worden verschillende zaken achter elkaar genoemd. Je herkent een opsomming aan signaalwoorden zoals: ten eerste, ten tweede, om te beginnen, ook (nog), verder, ten slotte, en. Daarnaast kun je een opsomming herkennen aan opsommingstekens zoals streepjes (-), dots (·), getallen (1, 2, 3) of een dubbele punt (:).
•Tegenstelling: Hierbij worden zaken tegenover elkaar geplaatst. Je herkent een tegenstelling aan signaalwoorden zoals: tegenover, maar, hoewel, echter, toch, aan de ene kant ... aan de andere kant, daarentegen.
Een zakelijke brief schrijven
Als je iets wilt vragen of meedelen aan een persoon of instantie die je niet persoonlijk kent, schrijf je een zakelijke brief. Dit is een officiële brief die aan strikte vormeisen moet voldoen.
De opbouw van de zakelijke brief
Een zakelijke brief bestaat uit tien vaste onderdelen die in een vaste volgorde onder elkaar staan, gescheiden door witregels:
1.Gegevens afzender: Je eigen naam, adres, postcode en woonplaats staan helemaal bovenaan.
2.Plaats en datum: De plaats waar je de brief schrijft en de datum van schrijven (bijvoorbeeld: Groningen, 24 februari 2024).
3.Gegevens ontvanger: De naam van het bedrijf en het adres. Als de brief voor een specifiek persoon is, gebruik je T.a.v. (ter attentie van) voor de naam (bijvoorbeeld: T.a.v. mevrouw J. Schouten).
4.Aanhef: De formele begroeting, zoals Geachte heer, mevrouw, of Geachte meneer Riksen,.
5.Inleiding: Hierin leg je kort uit wie je bent en wat de directe aanleiding van de brief is.
6.Middenstuk: De kern van je brief. Hierin leg je je vraag of klacht uitgebreid uit. Bij een klachtenbrief vermeld je hier ook waar en wanneer je het product hebt gekocht en waarom je ontevreden bent.
7.Slot: Een korte afronding waarin je schrijft wat je van de ontvanger verwacht (bijvoorbeeld een reactie of een passende oplossing).
8.Groet: De formele afsluiting, meestal Met vriendelijke groet,.
9.Handtekening: Je handtekening met daaronder je voor- en achternaam voluit geschreven.
10.Bijlage: Als je documenten of een verpakking meestuurt, vermeld je dit helemaal onderaan de brief (bijvoorbeeld: Bijlage: verpakking Crunchy Chips).
Adressering op de envelop
Ook voor de envelop gelden regels. Het adres van de ontvanger moet gecentreerd en duidelijk op de voorkant staan:
Correcte adressering |
|---|
Het toetjesparadijs
T.a.v. mevrouw J. Schouten
Ubbo Emmiusstraat 19
9711 CA Groningen |
Goed presenteren
Of je nu een presentatie geeft, een klacht bespreekt of deelneemt aan een discussie: de manier waarop je jezelf presenteert bepaalt of je je doel bereikt. Sprekers letten hierbij op de volgende vijf aspecten van presenteren:
•Stemgebruik: Praat rustig, duidelijk en op een passend volume. Als je boos bent, bereik je vaak meer door rustig en kalm te praten dan door te schreeuwen.
•Oogcontact: Kijk je gesprekspartner of het publiek aan om betrokkenheid te tonen.
•Taalgebruik: Pas je woorden aan op je publiek. Tegen volwassenen of een werkgever praat je formeler dan tegen je vrienden.
•Lichaamshouding: Zorg voor een actieve houding. Zit of sta rechtop en straal enthousiasme uit.
•Kleding: Zorg dat je kleding past bij de situatie.
Jezelf presenteren in een gesprek
Wanneer je solliciteert naar een stageplaats of een bijbaan, voer je een sollicitatiegesprek. De werkgever of stagebegeleider let dan heel erg op hoe jij jezelf presenteert.
Richtlijnen voor een goede zelfpresentatie
•Kleed je verzorgd en passend voor de functie.
•Haal je handen uit je zakken, spuug je kauwgom uit en zet je telefoon volledig uit.
•Geef de ander een stevige handdruk en stel jezelf voor met je voor- en achternaam.
•Gebruik beleefde taal: zeg altijd u en sluit af met tot ziens (in plaats van jij en doei).
•Let op je lichaamstaal: zit rechtop, maak oogcontact en neem een geïnteresseerde houding aan.
•Bereid je goed voor: bedenk van tevoren wat je sterke en zwakke punten zijn en zorg dat je hier voorbeelden bij kunt geven.
•Bedank de gesprekspartner aan het einde van het gesprek voor de tijd en neem beleefd afscheid.
Woordenschat: figuurlijk taalgebruik
In teksten en gesprekken maken we veel gebruik van verschillende manieren van praten en schrijven:
•Letterlijk taalgebruik: De woorden betekenen exact wat er staat. (Bijvoorbeeld: Ik poets mijn tanden.)
•Figuurlijk taalgebruik: Er wordt iets anders bedoeld dan er feitelijk staat. (Bijvoorbeeld: Hij heeft de boot gemist.)
•Uitdrukkingen: Dit zijn vaste combinaties van woorden met een figuurlijke betekenis. Je kunt ze opzoeken in het woordenboek onder het eerste belangrijke zelfstandige naamwoord (Over smaak valt niet te twisten zoek je op onder smaak).
Woordenlijst en uitdrukkingen
In de onderstaande tabel vind je de belangrijkste woorden en uitdrukkingen uit dit hoofdstuk met hun betekenis:
Woord / Uitdrukking | Betekenis |
|---|---|
Iets op de kop tikken | Iets goedkoop weten te kopen. |
Niet vies zijn van | Iets erg lekker vinden of ergens wel van houden. |
Doen alsof je neus bloedt | Doen alsof je van niets weet of het niet merkt. |
Een slag om de arm houden | Iets niet helemaal zeker toezeggen, een voorbehoud maken. |
De puntjes op de i zetten | De allerlaatste details afwerken. |
Niet om over naar huis te schrijven | Niet erg bijzonder of tamelijk slecht. |
Het zit me niet lekker | Ik maak me er zorgen over, het verontrust me. |
Zich de woede op de hals halen | Ervoor zorgen dat mensen heel boos op je worden. |
Binnen no time | Heel erg snel. |
Was het geklaag niet van de lucht | Er werd voortdurend en heel veel geklaagd. |
Een storm in een glas water | Veel ophef en drukte om vrijwel niets. |
Rustig ademhalen | Weer gerustgesteld zijn. |
Met een gerust hart | Zonder zorgen of twijfel. |
Binnen de perken houden | Ervoor zorgen dat het niet te erg of te veel wordt, beperken. |
Bij de les blijven | Goed blijven opletten. |
Beginnen te piepen | Onnodig klagen of snel bang zijn. |
Met de neus in de boter vallen | Precies op het goede moment ergens binnenkomen of geluk hebben. |
Er geen touw aan vast kunnen knopen | Er helemaal niets van begrijpen. |
Niet droog achter de oren zijn | Nog jong en onervaren zijn. |
Iemand uit de tent lokken | Iemand reacties laten geven waardoor hij zijn ware mening laat horen. |
Boycotten | Tegenwerken door ergens niet meer te kopen of niet meer aan mee te doen. |
Heisa | Grote drukte, ophef of gedoe. |
Complot | Een geheime afspraak of samenzwering van een groep mensen. |
Versie | Een bepaalde uitvoering of vorm van een tekst of product. |
Paniek | Plotselinge, grote schrik en angst. |
Gerucht | Een bericht dat rondgaat waarvan de waarheid niet vaststaat. |
Aangepast / gewijzigd | Veranderd om het beter of anders te maken. |
Verruild | Vervangen door iets anders. |
Vertrouwd | Bekend en daardoor veilig of prettig. |
Taalverzorging: persoonsvorm en onderwerp
De persoonsvorm en het onderwerp van een zin horen altijd bij elkaar. Ze moeten met elkaar overeenstemmen in getal: een enkelvoudig onderwerp krijgt een enkelvoudige persoonsvorm, en een meervoudig onderwerp krijgt een meervoudige persoonsvorm. Soms is het lastig om te bepalen of het onderwerp enkelvoud of meervoud is.
Lastige situaties bij het onderwerp
•Het onderwerp bevat veel woorden: Laat je niet afleiden door woorden die dicht bij de persoonsvorm staan, maar zoek altijd naar de kern van het onderwerp. Voorbeeld: "Alle jonge vogels op de waslijn zongen de hele ochtend." (De kern is vogels (meervoud), dus de persoonsvorm is zongen, niet waslijn).
•Het onderwerp lijkt meervoud, maar is enkelvoud (verzamelingen): Woorden die een groep aanduiden, zijn grammaticaal vaak enkelvoud. Voorbeeld: "De kudde schapen liep op de dijk." (Kudde is enkelvoud, dus de persoonsvorm is liep). Voorbeeld: "De brandweer bluste de brand." (Brandweer is enkelvoud). Voorbeeld: "Iedereen stond te kijken." (Iedereen is enkelvoud). Voorbeeld: "Het merendeel van de mensen vindt dat." (Merendeel is enkelvoud). Voorbeeld: "Slechts een handjevol internetters weet dat." (Handjevol is enkelvoud). Voorbeeld: "Het setje slippers is van zijde." (Setje is enkelvoud).
Moeilijke meervoudsvormen
Sommige woorden hebben een Latijnse of Griekse achtergrond en hebben daardoor een lastige meervoudsvorm. Let goed op welke vorm je gebruikt bij de persoonsvorm:
Enkelvoud (ev) | Meervoud (mv) | Voorbeeldzin |
|---|---|---|
Het medium | De media | De mediamelden de overwinning van ons team. |
De basis | De bases | De militaire baseszijn vorig jaar gesloten. |
De medicus | De medici | De medicilieten de foto's van de breuk zien. |
Het museum | De musea | In de museumnacht zijn de meeste musea gratis. |
Taalverzorging: het voltooid deelwoord
In een zin kunnen naast de persoonsvorm ook andere werkwoorden staan, zoals het voltooid deelwoord (vd). Het voltooid deelwoord geeft aan dat een handeling is afgerond en staat altijd samen met een hulpwerkwoord van tijd of lijdende vorm (hebben, zijn of worden).
Spellingregels voor het voltooid deelwoord
Schrijf het voltooid deelwoord altijd zo kort mogelijk en volg deze regels:
•Sterke werkwoorden: Deze veranderen van klank in de verleden tijd en eindigen in het voltooid deelwoord bijna altijd op -en (bijvoorbeeld: vallen → gevallen, blijven → gebleven).
•Zwakke werkwoorden: Deze veranderen niet van klank in de verleden tijd en eindigen in het voltooid deelwoord op -t of -d. Om te weten welke letter je schrijft, maak je het woord langer: Voorbeeld: "Ik heb het gesnapt." (gesnapt → gesnapte, dus met een -t). Voorbeeld: "Zij heeft haar kamer veranderd." (veranderd → veranderde, dus met een -d).
•'t Kofschip / 't ex-kofschip: Je kunt ook kijken naar de medeklinker aan het eind van de stam van het hele werkwoord. Zit deze letter in 't ex-kofschip (t, x, k, f, s, ch, p)? Dan eindigt het voltooid deelwoord op een -t. Zit de letter er niet in? Dan eindigt het op een -d.
•Werkwoorden met voorvoegsels: Begint een werkwoord al met be-, ge-, ver-, ont-, her- of over-? Dan krijgt het voltooid deelwoord geen extra ge- aan het begin (bijvoorbeeld: verdedigen → verdedigd, verwijderen → verwijderd, bestellen → besteld).
Let op! Soms klinken de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd (pv tt) en het voltooid deelwoord (vd) exact hetzelfde, maar je schrijft ze anders. Gebruik de regels om fouten te voorkomen:
•"Mijn buurman verhuist morgen." (pv tt → stam + t)
•"Mijn buurman is al verhuisd." (vd → langer maken: verhuisde, dus met een -d)