Een ohmse weerstand van$60 \Omegawordt met twee meetsnoeren aangesloten op een voedingskastje. Zie figuur 1. Beide snoeren hebben een cilindervormige koperen kern met een diameter van 0,80 mm en een lengte van 140 cm .


Een ohmse weerstand van$60 \Omegawordt met twee meetsnoeren aangesloten op een voedingskastje. Zie figuur 1. Beide snoeren hebben een cilindervormige koperen kern met een diameter van 0,80 mm en een lengte van 140 cm .



(1)
De weerstanden worden vervangen door drie gelijke gloeilampjes, zie figuur 3. Op de lampjes staat:
$12 \mathrm{~V} ; 2{,}4 \mathrm{~W}.
De voedingsspanning is ingesteld op 18 V . Als de lampjes zich net zo zouden gedragen als de ohmse weerstanden in figuur 2, dan zou er volgens formule (1) een spanning van 12 V over lampje$L_{3}staan.$L_{3}zou dan precies goed branden.
Gloeilampjes gedragen zich echter als PTC's.
Leg uit of$L_{3}in de schakeling van figuur 3 op een te hoog of op een te laag vermogen brandt.
Op deze pagina behandelen we vraag 10 van het centraal examen natuurkunde vwo 2026 – tijdvak 1. Deze vraag is onderdeel van Elektriciteitspracticum, en is 3 punten waard.
Je kunt hier zelf het antwoord invullen en vervolgens direct de uitwerking en uitleg bekijken.
Daarnaast kun je: