Beschrijf kort de vijfjarenplannen van Stalin en leg uit waarom ze niet succesvol waren.
Leerdoelen
•Je kunt uitleggen hoe de totalitaire ideologieën in Europese staten opkwamen
•Je kunt uitleggen welke verschillen en overeenkomsten bestonden tussen nazi-Duitsland en de SU onder Stalin
•Je kunt uitleggen welke rol propaganda speelde in totalitaire staten
Kenmerkende aspecten
•Het in de praktijk brengen van de totalitaire ideologieën communisme en fascisme/nationaalsocialisme.
•De rol van moderne propaganda- en communicatiemiddelen en vormen van massaorganisatie.
Totalitaire ideologie
Een totalitaire ideologie gaat verder dan een gewone dictatuur. Een totalitaire staat is altijd een eenpartijstaat of dictatuur, maar gaat nog een stap verder: de staat probeert het hele leven van burgers te controleren, zowel privé als publiek.
Alles in de samenleving moet in dienst staan van de staat. Het individu is ondergeschikt aan het grotere geheel. Burgers moeten zich aanpassen aan wat de staat wil, en afwijkend gedrag wordt niet geaccepteerd.
Eenpartijstaat en sterke leider
Er is sprake van een eenpartijstaat: slechts één politieke partij is toegestaan. Aan het hoofd staat een sterke leider die wordt vereerd via een persoonlijkheidscultus. Deze leider wordt neergezet als onfeilbaar en wordt vaak bijna religieus aanbeden.
Propaganda, indoctrinatie en censuur
Totalitaire staten gebruiken propaganda om de bevolking voortdurend te beïnvloeden. Door herhaling van boodschappen wordt een bepaalde wereldvisie opgelegd. Dit gaat samen met indoctrinatie, waarbij mensen zo sterk worden beïnvloed dat ze geen andere waarheid meer accepteren. Daarnaast is er strikte censuur: kranten, radio en andere media worden volledig gecontroleerd door de staat.
Geheime politie en geweld
Om controle te houden wordt een geheime politie ingezet die burgers in de gaten houdt. Daarnaast worden knokploegen of andere gewelddadige groepen gebruikt om tegenstanders te intimideren. Terreur en angst zijn belangrijke middelen om de bevolking gehoorzaam te houden.
De Sovjet-Unie onder Stalin
Ontstaan van de Sovjet-Unie
In 1917 grepen de communistische bolsjewieken de macht tijdens de Oktoberrevolutie. Na een burgeroorlog ontstond in 1922 de Sovjet-Unie als een communistische dictatuur. Na de dood van Lenin in 1924 kwam Stalin aan de macht en bouwde hij de staat verder uit tot een totalitaire staat.

De planeconomie en vijfjarenplannen
Stalin voerde een planeconomie in. Dit betekent dat de overheid bepaalde wat en hoeveel er geproduceerd werd. Dit gebeurde via vijfjarenplannen, waarin doelen voor vijf jaar werden vastgesteld. Het doel was om van de Sovjet-Unie een moderne industriële staat te maken.

Collectivisatie en gevolgen
Om deze doelen te bereiken werd de landbouw gecollectiviseerd. Boeren moesten hun eigen grond opgeven en werken in grote staatsbedrijven. Dit leidde tot inefficiëntie, omdat boeren minder motivatie hadden en de productie slecht georganiseerd was.
Door de gedwongen collectivisatie en de hoge productie-eisen ontstonden er grote hongersnoden, vooral in Oekraïne. Miljoenen mensen stierven door honger. Tegelijkertijd vielen er veel slachtoffers door de harde aanpak van de staat.
Terreur en zuiveringen
Stalin gebruikte systematisch terreur om zijn macht te behouden. Rijke, zelfstandige boeren (koelakken) werden massaal opgepakt, vermoord of naar strafkampen in Siberië gestuurd. Ook binnen de communistische partij en het leger vonden zuiveringen plaats (1936-1938), waarbij veel mensen werden gearresteerd, verbannen of geëxecuteerd uit angst voor samenzweringen.
Persoonlijkheidscultus
Rond Stalin ontstond een sterke persoonlijkheidscultus. Hij werd afgebeeld als een vaderfiguur en redder van het volk. Door propaganda bleven sommige mensen hem positief zien, ondanks de enorme aantallen slachtoffers die zijn beleid veroorzaakte.
Fascistisch Italië
Onvrede na de Eerste Wereldoorlog
Na de Eerste Wereldoorlog was er veel ontevredenheid in Italië. Veel Italianen vinden dat hun land te weinig gebied heeft gekregen en voelen zich tekortgedaan.
Opkomst van het fascisme en Mussolini
Benito Mussolini speelde in op deze onvrede en richtte het fascisme op. Deze ideologie is antidemocratisch, extreem nationalistisch en kijkt terug naar de glorie van het Romeinse Rijk als voorbeeld. Mussolini gebruikte knokploegen, de Zwarthemden, om tegenstanders te intimideren.

De Mars op Rome en machtsovername
In 1922 organiseerden zijn aanhangers de Mars op Rome. De koning benoemde Mussolini daarna tot premier. Hij noemde zichzelf Duce en kreeg vrijwel onbeperkte macht.

Eenpartijstaat en onderdrukking
Italië werd al snel een eenpartijstaat. Andere partijen werden verboden en politieke tegenstanders werden uitgeschakeld. De staat nam steeds meer controle over het politieke leven en de samenleving.
Nationaalsocialisme in Duitsland
Situatie na de Eerste Wereldoorlog
Na de Eerste Wereldoorlog verkeerde Duitsland in chaos. Er was een economische crisis, werkloosheid, politieke instabiliteit en veel straatgeweld tussen verschillende groepen.
Opkomst van Hitler en de NSDAP
Adolf Hitler werd leider van de Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij (NSDAP). Het nationaalsocialisme lijkt sterk op het fascisme, maar bevat ook sterk antisemitisme (Jodenhaat).

Mislukte staatsgreep en machtsgreep
In 1923 probeerde Hitler via een staatsgreep de macht te grijpen, maar dat misluktte. In 1933 werd hij rijkskanselier. Kort daarna kreeg hij via een speciale wet alle macht in handen.
Dictatuur, concentratiekampen en gelijkschakeling
Hitler bouwde een dictatuur op. Andere partijen werden verboden en politieke tegenstanders werden opgesloten in concentratiekampen. De samenleving werd gelijkgeschakeld, wat betekent dat iedereen zich moest aanpassen aan de nazi-ideologie en dat alle instellingen in dienst stonden van de staat.
Propaganda en massaorganisatie
De nazi’s gebruikten uitgebreide propaganda. Ze maakten gebruik van radio, film, posters en massabijeenkomsten. Hitler werd neergezet als sterke leider. Ook werden grote organisaties opgezet waar mensen lid van moesten worden. Voor jongeren waren er bijvoorbeeld de Hitlerjugend en de Bund Deutscher Mädel. Door deze massaorganisatie werd bijna iedereen in de samenleving in het systeem betrokken.

Verschillen tussen communisme en fascisme/nationaalsocialisme
Mensbeeld en gelijkheid
Het communisme gaat uit van gelijkheid tussen mensen en wil economische ongelijkheid opheffen. Het fascisme en nationaalsocialisme gaan juist uit van ongelijkheid: sommige mensen zouden beter geschikt zijn om te leiden dan anderen.
Geschiedenisbeeld
In het communisme is de geschiedenis een strijd tussen de bezittende en bezitloze klasse. In het fascisme en nationaalsocialisme is het een strijd tussen volkeren of rassen, waarbij sterkere volkeren zwakkere overheersen.
Nationalisme
Het communisme is internationaal gericht en wil dat arbeiders wereldwijd samenwerken. Het fascisme en nationaalsocialisme zijn juist extreem nationalistisch en richten zich op het eigen volk en de eigen staat.













