Hoe veranderde de positie van de christenen binnen het Romeinse Rijk na het jaar 313?
Leerdoelen
•Je kunt het verband uitleggen tussen de uitbreiding van het Romeinse Rijk en het begrip romanisering
•Je kunt uitleggen hoe het christendom uitgroeide tot staatsgodsdienst in het Romeinse Rijk
•Je kunt beschrijven op welke manieren Romeinen en Germanen met elkaar omgingen
Kenmerkende aspecten
•De groei van het Romeinse imperium, waardoor de Grieks-Romeinse cultuur zich in Europa verspreidde
•De ontwikkeling van het jodendom en het christendom als de eerste monotheïstische godsdiensten
•De confrontatie tussen de Grieks-Romeinse cultuur en de Germaanse cultuur van Noordwest-Europa
Romeinse Rijk in vogelvlucht
•Rome wordt volgens de overlevering in 753 v.Chr. gesticht door Romulus.
•In 507 v.Chr. wordt volgens de traditionele overlevering de laatste koning afgezet en wordt Rome een republiek. Historici twijfelen echter aan deze precieze datering, onder andere omdat dit jaartal opvallend samenvalt met de invoering van de democratie in Athene.
•In 44 v.Chr. roept Julius Caesar zichzelf uit tot dictator voor het leven; kort daarna wordt hij vermoord.
•In 27 v.Chr. wordt Augustus (Octavianus) na een burgeroorlog de eerste keizer.
•Tot 180 n.Chr. kent het rijk een lange periode van rust, vrede en welvaart: de Pax Romana.
•In 395 wordt het Romeinse Rijk definitief gesplitst in een Oost- en West-Romeins Rijk.
•In 476 wordt de laatste West-Romeinse keizer afgezet. Het Oost-Romeinse Rijk blijft nog bestaan tot 1453.
Het Romeinse Rijk was een landbouw-stedelijke samenleving. De meerderheid van de bevolking werkte en leefde op het platteland; een kleiner deel woonde in steden als ambachtslieden of handelaars. Tot het jaar 117 n.Chr. groeide het rijk uit tot een enorm imperium. Gedurende deze groei werd de Grieks-Romeinse cultuur verspreid naar veroverde gebieden. Dit proces noemen we romanisering.

Jodendom: eerste monotheïstische godsdienst
Het jodendom was de eerste godsdienst waarin men in één god geloofde. Het ontstond in Palestina (het huidige Israël) en bestond al vóór de expansie van het Romeinse Rijk.
De relatie tussen Romeinen en Joden was gespannen. In de eerste eeuw n.Chr. sloegen de Romeinen een Joodse opstand neer en verwoestten zij de tempel van Salomo in Jeruzalem. Na deze opstand werd het Joden verboden de stad te betreden. Dit markeert het begin van de diaspora: de verspreiding van Joden over grote delen van de wereld.
Ontwikkeling christendom in Romeinse Rijk
Het christendom ontstond in de eerste eeuw n.Chr. uit het jodendom. Aanvankelijk werden christenen vervolgd. Zij vereerden de keizer niet als god en probeerden anderen te bekeren. Daarnaast hadden zij andere normen en waarden dan veel Romeinen en zonderden zij zich vaak af van de rest van de samenleving. Dit leidde tot wantrouwen en spanningen.
In 313 verleende keizer Constantijn de Grote godsdienstvrijheid aan christenen. Volgens de overlevering kreeg hij vóór een belangrijke veldslag een visioen waarin hij het Chi-Rho-teken zag, gevormd door de Griekse letters chi en rho, de beginletters van Christus. Hij zou hebben gehoord: “In dit teken zult gij overwinnen.” Na zijn overwinning schreef hij zijn succes toe aan de christelijke God.
In 380 maakte keizer Theodosius I het christendom tot staatsgodsdienst. Vanaf dat moment werd het vereren van de traditionele Romeinse goden verboden en werden tempels omgebouwd tot kerken. Ook heidense gebruiken verdwenen: zo werden de Olympische Spelen afgeschaft, omdat zij verbonden waren met de verering van meerdere goden.
Romeinen en Germanen in Noord-Europa
‘Germanen’ was de Romeinse benaming voor volkeren ten noorden en oosten van de Rijn. Er vonden regelmatig gewelddadige confrontaties plaats, maar er was ook samenwerking.
Een concreet voorbeeld daarvan zijn de Bataven. Deze Germaanse stam, die in het huidige Nederland woonde, sloot een overeenkomst met de Romeinen. In ruil voor het behouden van hun woongebied hielpen zij bij het bewaken van de grens van het Romeinse Rijk en leverden zij soldaten voor het Romeinse leger.
Daarnaast was er handel en uitwisseling van kennis. Germanen leverden onder andere huiden en slaven, terwijl zij van de Romeinen kennis maakten met nieuwe producten, technieken en het schrift.
Vanaf de derde eeuw trokken steeds meer Germaanse volken het rijk binnen. In de vijfde eeuw nam deze druk sterk toe door de invallen van de Hunnen. Zij dreven Germaanse stammen westwaarts, waardoor de druk op de Romeinse grenzen verder werd verhoogd. Deze volksverhuizingen droegen uiteindelijk bij aan het uiteenvallen van het West-Romeinse Rijk in 476.














