Leerdoelen
•Je kunt de machtspositie van de koning tussen 1815 en 1848 beschrijven.
•Je kunt uitleggen waarom de grondwet in 1848 werd herzien.
•Je kunt in eigen woorden uitleggen wat een parlementaire democratie inhoudt.
De geboorte van de constitutionele monarchie
In 1815 maakte Nederland een belangrijke verandering door: het werd een constitutionele monarchie. Dit betekent dat we een koning hebben, maar die koning is gebonden aan een grondwet (constitutie). De grondwet is een belangrijk boek met daarin de basisregels van ons land en de rechten en plichten van de burgers en de overheid.
Koning Willem I kwam in 1815 aan de macht als de eerste koning van het Koninkrijk der Nederlanden. Hoewel hij gebonden was aan de grondwet, had hij in het begin nog enorm veel macht. De koning kon bijvoorbeeld zijn eigen ministers benoemen en ontslaan. Dit betekende dat hij vooral mensen om zich heen verzamelde die hij vertrouwde, die dicht bij hem stonden en die goed naar hem luisterden. Dit gaf hem als koning veel invloed op het bestuur van het land.
De regering bestaat uit het staatshoofd (de koning of koningin) en de ministers samen.
Het kabinet bestaat uit alle ministers en staatssecretarissen (een soort onderministers, die niet tot de regering behoren).

De roep om verandering
In het revolutiejaar 1848 nam de kritiek op de grote macht van de koning verder toe. Inmiddels was Willem I afgetreden en opgevolgd door zijn zoon, koning Willem II. De kritiek was op dat moment dus op hem gericht. Mensen vonden het vreemd dat de koning zoveel macht had, ondanks dat er een grondwet was. Ze wilden zelf meer invloed op het bestuur van het land.
Vooral de liberalen, een groep mensen die streed voor meer vrijheid en democratie, vonden dat het parlement (de volksvertegenwoordiging) de macht moest krijgen. Zij wilden dat het parlement de koning ging controleren, zodat de koning niet zomaar alles kon bepalen.
De herziene grondwet
Onder leiding van de belangrijke liberaal Rudolf Thorbecke kwam er in 1848 een nieuwe, herziene grondwet. Uit angst om afgezet te worden, ging koning Willem II uiteindelijk akkoord met de grondwetswijziging. Deze grondwetsherziening was een enorme verandering voor Nederland. De macht van de koning werd ingeperkt en het parlement kreeg meer te zeggen.
De belangrijkste gevolgen van deze herziene grondwet waren:
•De koning verloor bijna al zijn persoonlijke macht.
•Het parlement kreeg de meeste macht in handen.
•Voortaan werden de koning én de ministers gecontroleerd door het parlement.
•Nieuwe wetten moesten voortaan eerst door het parlement worden goedgekeurd.
Dit was een grote stap richting een parlementaire democratie: een bestuursvorm waarin een door de burgers gekozen parlement de macht heeft. Voor 1848 was de koning de regeringsleider. Na de grondwetswijziging werd de belangrijkste minister de leider van de regering. Later werd deze functie minister-president genoemd.

De ontwikkeling van het kiesrecht
Met de herziene grondwet van 1848 werd ook besloten dat het parlement voortaan gekozen zou worden door burgers. Dit was een belangrijke stap, maar het was nog lang niet zo dat iedereen mocht stemmen.
In 1848 mocht alleen een heel kleine groep mensen stemmen: de rijke mannelijke burgers. Dit systeem noemen we censuskiesrecht. Alleen mannen die een bepaald bedrag aan belasting betaalden (de zogenoemde census), mochten hun stem uitbrengen. Dit waren in die tijd maar heel weinig mannen, omdat de meeste mensen niet rijk genoeg waren. Vrouwen waren sowieso uitgesloten.
Het duurde nog lang voordat iedereen mocht stemmen. Pas in 1919 kregen we in Nederland algemeen kiesrecht. Vanaf dat moment mochten alle volwassen mannen én vrouwen hun stem uitbrengen bij verkiezingen.













