Leerdoelen
•Je kunt de drie belangrijkste oorzaken van de Industriële Revolutie beschrijven.
•Je kunt minstens vier kenmerken van de Industriële Revolutie benoemen en beschrijven.
•Je kunt de relatie uitleggen tussen de Industriële Revolutie en het ontstaan van emancipatiebewegingen.
Het tijdvak
De Industriële Revolutie bevindt zich in het tijdvak van burgers en stoommachines (1800-1900). Dit tijdvak valt binnen de nieuwste tijd, een periode die loopt van 1800 tot heden.
Oorzaken van de Industriële Revolutie
Verbeteringen in de landbouw
Een van de belangrijkste oorzaken waren de verbeteringen in de landbouw. Er kwamen nieuwe landbouwtechnieken op, waardoor er veel meer voedsel geproduceerd kon worden. Hierdoor waren minder mensen nodig om op het land te werken. Deze vrijgekomen arbeidskrachten konden ander werk gaan doen, bijvoorbeeld in de nieuwe fabrieken.
Beschikbaarheid van grondstoffen
Daarnaast waren er veel grondstoffen beschikbaar. Het maken van producten werd goedkoper en makkelijker door de aanwezigheid van grote voorraden steenkool en ijzererts. Steenkool was essentieel, omdat de nieuwe machines hierop konden werken.

Nieuwe machines
De uitvinding van nieuwe machines speelde een cruciale rol. Deze machines, die vaak op steenkool werden aangedreven, konden producten veel sneller en in grotere hoeveelheden maken dan voorheen met de hand mogelijk was.
Gevolgen van de Industriële Revolutie
Een nieuwe samenleving
Er ontstond een industriële samenleving. Dit betekende dat mensen massaal van het platteland naar de steden trokken. Ze gingen dicht bij de fabrieken wonen en werken, wat leidde tot de snelle groei van grote steden.
Massaproductie en infrastructuur
Door de machines ontstond er massaproductie. Dit betekent dat grote hoeveelheden producten tegelijkertijd werden gemaakt. Dit was een enorme verandering vergeleken met de huisnijverheid, waarbij bijvoorbeeld een vrouw thuis één doek weefde. In fabrieken konden meerdere vrouwen op een dag veel meer doeken weven.
Om al deze producten snel te kunnen vervoeren, ontstond er een uitgebreide infrastructuur. Denk aan de stoomtrein en de aanleg van spoorwegen, maar ook aan waterwegen om producten per boot te vervoeren.

Milieuvervuiling
Helaas had de Industriële Revolutie ook een keerzijde: milieuvervuiling. De stoommachines stootten veel slechte gassen uit en de fabrieken zelf zorgden voor veel verontreiniging. Rondom de steden ontstond hierdoor ernstige luchtverontreiniging.
Ongelijke welvaartsstijging
De overgang van handarbeid naar machinale productie zorgde voor een stijging van de welvaart. Echter, deze welvaart was niet voor iedereen gelijk verdeeld. Het waren vooral de ondernemers en fabriekseigenaren die rijker werden, terwijl de arbeiders er veel minder van merkten.
Nadelen en de sociale kwestie
Gevaren in de fabriek
De fabrieksarbeiders moesten lange dagen werken in ongezonde en gevaarlijke omstandigheden. De machines waren vaak onveilig. Ook moesten kinderen werken om het gezinsinkomen aan te vullen.
Een kapitalistische samenleving
De samenleving werd steeds meer een kapitalistische samenleving, waarin het belangrijkste doel was om zoveel mogelijk winst te maken. De overheid bemoeide zich hier zo min mogelijk mee en de ondernemers wilden weinig wetten en regels, zodat ze hun eigen gang konden gaan en veel winst konden maken.
Het oplossen van de sociale kwestie
Door de slechte omstandigheden ontstond de sociale kwestie: de vraag hoe de slechte werk- en leefomstandigheden van de arbeiders opgelost moesten worden. Steeds meer mensen vonden dat hier iets aan gedaan moest worden.
Dit leidde tot de invoering van sociale wetgeving. De eerste belangrijke sociale wet in Nederland was het Kinderwetje van Van Houten uit 1874. Deze wet verbood fabrieksarbeid voor kinderen onder de twaalf jaar. Het is belangrijk om te onthouden dat dit alleen gold voor fabrieksarbeid; ander werk mochten kinderen nog wel doen. Het was dus nog geen volledig verbod op kinderarbeid onder de twaalf jaar.
In 1901 werd met de invoering van de Leerplichtwet een verdere verbetering doorgevoerd. Vanaf dat moment moesten alle kinderen van zes tot twaalf jaar naar school en hoefden ze niet meer te werken. Hoewel dit een stap vooruit was, waren ouders niet altijd blij, omdat ze vaak afhankelijk waren van het inkomen van hun kinderen om rond te kunnen komen. Doordat dit inkomen wegviel, moest de rest van het gezin nog harder werken om rond te komen.
Emancipatiebewegingen
In dezelfde periode ontstonden emancipatiebewegingen. Dit waren bewegingen die opkwamen voor de rechten van minderheden in de samenleving en hun omstandigheden wilden verbeteren. Voorbeelden hiervan zijn de arbeiders, maar ook vrouwen die in die tijd vaak achtergesteld waren. Arbeiders verenigden zich in vakbonden en streden voor betere werkomstandigheden in fabrieken, hogere lonen en kortere werkdagen. Ze wilden ook betere leefomstandigheden en vonden dat de overheid hierbij moest helpen.














