Wat betekent industrialisatie in Nederland vanaf 1860?
Leerdoelen
•Je kunt de belangrijkste opvattingen van de liberalen, socialisten, confessionelen en feministen aan het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw beschrijven.
•Je kunt de belangrijke voorvechters van de politieke en maatschappelijke stromingen noemen.
•Je kunt uitleggen wat de schoolstrijd inhield.
•Je kunt de term "verzuiling" toelichten aan de hand van voorbeelden.
•Je kunt de belangrijkste afspraken van de Pacificatie van 1917 benoemen.
De industriële revolutie en de gevolgen
Vanaf ongeveer 1860 begon in Nederland de industriële revolutie echt op gang te komen. Kleine werkplaatsen maakten plaats voor grote fabrieken. Dit zorgde voor enorme veranderingen in het landschap en het leven van mensen:
•Verstedelijking: Mensen trokken van het platteland naar de steden om dicht bij de fabrieken te wonen en te werken. Hierdoor ontstonden nieuwe steden en groeiden bestaande steden enorm.
•Bevolkingsgroei: De Nederlandse bevolking nam sterk toe.
•Landschapsverandering: Overal verschenen fabrieken met hun rokende schoorstenen. Er werden spoorwegen en kanalen aangelegd om producten en grondstoffen te vervoeren.
•Nieuwe beroepsgroep: Er ontstond een grote groep arbeiders die in de fabrieken werkte.
•Milieuvervuiling: De fabrieken zorgden ook voor veel milieuvervuiling door de uitstoot van gassen en afval.
Het Kinderwetje van Van Houten
De snelle industrialisatie bracht ook sociale problemen met zich mee, zoals kinderarbeid. Al snel rees de vraag of kinderen wel in fabrieken mochten werken. De eerste belangrijke stap om hier iets aan te doen, was het Kinderwetje van Van Houten. Deze wet, ingevoerd in 1874, verbood kinderen onder de twaalf jaar om in fabrieken te werken. Let op: dit verbod gold alleen voor fabrieken, niet voor andere sectoren zoals de landbouw of huishoudelijk werk.
Modern imperialisme
De groeiende industrie had steeds meer grondstoffen nodig. Europese landen, waaronder Nederland, gingen daarom op zoek naar grondstoffen in andere delen van de wereld, vooral in Afrika en Azië. Dit noemen we het modern imperialisme. Op de kaart zie je bijvoorbeeld hoe Afrika er in 1880 nog uitzag, met veel onafhankelijke volken. In 1913 was de politieke kaart drastisch veranderd: bijna heel Afrika was opgedeeld en gekoloniseerd door West-Europese landen. Dit deden ze niet alleen voor grondstoffen, maar ook om te laten zien hoe machtig en succesvol hun land was.

Nieuwe politieke en maatschappelijke stromingen
Door de herziening van de grondwet kregen meer mensen kiesrecht. Hierdoor, en door de opkomst van nieuwe bevolkingsgroepen, ontstonden er in Nederland nieuwe politieke en maatschappelijke stromingen. De belangrijkste stromingen waren de liberalen, socialisten en confessionelen, en later ook de feministen.
Liberalisme
De liberalen streefden naar vrijheid (liberté). Ze wilden zo min mogelijk regels en wetten van de overheid. Hoe minder de overheid zich met het leven van mensen bemoeide, hoe beter. In de negentiende eeuw hadden de liberalen lange tijd de macht, met Thorbecke als belangrijke voorman. Zij hadden veel te zeggen over hoe het land werd bestuurd. Na 1900 begon dit te veranderen, mede door de opkomst van de arbeiders.
Socialisme
De socialisten streefden naar gelijkheid. Zij wilden de grote verschillen tussen arm en rijk verkleinen. Een belangrijke inspiratiebron was de ideologie van Karl Marx, die zelfs een klassenloze samenleving voorstond, waarin iedereen gelijk zou zijn en er geen verschillen tussen arm en rijk zouden bestaan.
In Nederland wilde Pieter Jelles Troelstra deze ideeën in de praktijk brengen. De socialisten richtten in 1894 de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) op, een partij speciaal voor arbeiders om hen een stem te geven in de politiek. De leden van de SDAP worden sociaaldemocraten genoemd. Zij wilden veranderingen op een vreedzame manier bereiken, via verkiezingen en de politiek, en niet door geweld of een revolutie. Een ander belangrijk middel waren vakbonden. Dit waren organisaties waarin arbeiders zich verenigden om hun wensen te vertegenwoordigen en zo invloed uit te oefenen.
Confessionalisme
De confessionelen waren de protestanten en katholieken. Voor hen was het geloof, en dan vooral het naleven van de regels van de Bijbel, het allerbelangrijkst in het dagelijks leven. Politiek gezien stonden de confessionelen tussen de liberalen en socialisten in. Hun belangrijkste doel was om christelijk onderwijs (ook wel bijzonder onderwijs genoemd) door de staat betaald te krijgen. Destijds werden alleen openbare scholen door de overheid betaald. Christelijke scholen, die hun eigen normen en waarden uit het geloof wilden overbrengen, moesten dit zelf bekostigen.
De protestanten richtten in 1879 met Abraham Kuyper de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) op, de allereerste politieke partij in Nederland. Herman Schaepman was de belangrijkste voorman van de katholieken en richtte uiteindelijk ook een partij op. Hij was de eerste priester die lid werd van de Tweede Kamer.
Verzuiling
De verschillende politieke en religieuze stromingen zorgden voor een bijzondere situatie in Nederland: de verzuiling. Dit betekende dat de samenleving was opgedeeld in 'zuilen', waarbij het leek alsof iedereen in een eigen, afgesloten 'cel' leefde. Je was bijvoorbeeld katholiek en deed alles binnen de katholieke zuil: je las een katholieke krant, ging naar een katholieke sportclub en stemde op een katholieke partij. Hetzelfde gold voor protestanten, socialisten en liberalen. Mensen uit verschillende zuilen hadden weinig met elkaar te maken en vermengden zich nauwelijks.

De schoolstrijd en de Pacificatie van 1917
Een van de grootste conflicten in die tijd was de schoolstrijd. Dit was de strijd van de confessionelen om hun bijzondere onderwijs (christelijke scholen) door de overheid te laten financieren, net als openbare scholen. Tegelijkertijd wilden de socialisten dat alle mannen mochten stemmen (algemeen mannenkiesrecht), terwijl de liberalen daar in eerste instantie niets van wilden weten. In 1917 kwam er een belangrijke oplossing voor deze conflicten: de Pacificatie van 1917. Dit was een brede grondwetsherziening met drie belangrijke uitkomsten:
•Het bijzondere onderwijs werd voortaan met overheidsgeld betaald. Hiermee kwam een einde aan de schoolstrijd.
•Het algemeen mannenkiesrecht (voor mannen boven de 25) werd ingevoerd.
•Het passief kiesrecht voor vrouwen werd ingevoerd. Twee jaar later, in 1919, volgde ook het actief kiesrecht voor vrouwen.
De vergissing van Troelstra
In november 1918 deed Pieter Jelles Troelstra, de leider van de socialisten, een oproep tot een revolutie in Nederland. Geïnspireerd door Karl Marx wilde hij een klassenloze maatschappij afdwingen, waarin iedereen gelijk zou zijn. Deze revolutie mislukte echter. Het Nederlandse volk en het leger steunden Troelstra niet. Deze gebeurtenis staat sindsdien bekend in de geschiedenisboeken als de Vergissing van Troelstra.
Feminisme
Ondertussen kwam ook het feminisme op. Vrouwen wilden meer te zeggen hebben en streden voor gelijke rechten. Twee belangrijke voorvechters van deze beweging waren:
•Aletta Jacobs: Zij was de eerste vrouwelijke huisarts in Nederland en streed vooral voor de armen. Ze was ook de eerste vrouw die theoretisch gezien mocht stemmen (omdat ze voldoende belasting betaalde volgens de toenmalige regels). Ze werd een belangrijke voorvechter voor vrouwenkiesrecht. In 1871 was ze de eerste vrouw die werd toegelaten tot de universiteit en werd daarmee de eerste vrouwelijke arts van Nederland.
•Wilhelmina Drucker: Zij streed voor algemene gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Ze vroeg zich af waarom er zoveel verschil was, bijvoorbeeld in salaris, de rol van vrouwen in huis, en het stemrecht.













