Les over §3 De positie van arbeiders en vrouwen wordt sterker

Les over §3 De positie van arbeiders en vrouwen wordt sterker

Gemaakt door Ainstein
§3 De positie van arbeiders en vrouwen wordt sterker
Deze video bestaat uit
  • De industriële revolutieDe industriële revolutie
  • Stromingen en kiesrechtStromingen en kiesrecht
Verberg docent
Afspelen
Geluid uitzetten
Afspeelsnelheid
00:00 / 08:52
Ondertiteling/CC
Instellingen
Volledig scherm
Presenter poster
Onderwerpen in deze video
Meer informatie

Hoe werd de positie van arbeiders en vrouwen sterker?

Leerdoelen

Je kunt beschrijven wat de arbeiders deden om hun omstandigheden te verbeteren.

Je kunt uitleggen wat de overheid deed tegen de slechte arbeidsomstandigheden.

Je kunt toelichten hoe het algemeen kiesrecht leidde tot verbeteringen voor arbeiders en vrouwen.

Je kunt de begrippen vakbond, socialisten, confessionelen, liberalen, feministen en algemeen kiesrecht uitleggen.

Je kunt de inhoud en het belang van het Kinderwetje van Van Houten, de Arbeidswet en de Leerplichtwet beschrijven.

Belangrijke jaartallen

1874: invoering van het Kinderwetje van Van Houten, dat fabriekswerk voor kinderen onder de 12 jaar verbood.

1886: uitbreiding van het kiesrecht naar mannen die konden lezen en schrijven.

1889: invoering van de Arbeidswet, die nachtarbeid, gevaarlijk werk en lange werkdagen voor vrouwen en kinderen tot 12 jaar verbood.

1897: socialisten beginnen met massademonstraties te strijden voor algemeen kiesrecht.

1901: invoering van de Leerplichtwet, waardoor kinderen van 6 tot 12 jaar verplicht naar school moesten.

1917: herziening van de grondwet en invoering van het algemeen mannenkiesrecht vanaf 25 jaar.

1919: invoering van een nieuwe Arbeidswet met kortere werkdagen (maximaal 8 uur per dag) en invoering van het algemeen vrouwenkiesrecht vanaf 25 jaar.

Samenwerking en verzet van arbeiders

Aan het einde van de 19e eeuw werkten arbeiders, vrouwen en kinderen onder zware omstandigheden in fabrieken: ze maakten lange werkdagen tegen lage lonen, in het lawaai en tussen gevaarlijke machines. Om hun situatie te verbeteren, begonnen arbeiders onderling samen te werken. Ze richtten als eerste verzekeringen op waarvoor ze wekelijks een bedrag betaalden, om bij ziekte, werkloosheid of ongevallen een korte uitkering te ontvangen. Dit veranderde de arbeidsomstandigheden zelf echter nog niet. Wanneer individuele arbeiders protesteerden tegen de fabriekseigenaren, werden zij vrijwel direct ontslagen. Om samen sterker te staan, richtten werknemers **vakbonden** op: verenigingen van werknemers die opkomen voor de belangen van hun leden. Door gezamenlijk te staken (het werk neerleggen) konden vakbonden eisen afdwingen bij de fabrikanten, zoals het recht om lid te worden van een bond en loondoorbetaling tijdens stakingen. Binnen de arbeidersbeweging ontstonden verschillende stromingen:

Socialisten: dit zijn mensen die vonden dat iedereen gelijkwaardig is en dat de regering veel meer moest doen om de arbeiders te helpen.

Confessionelen: dit zijn protestanten en katholieken die vanuit hun geloof politieke partijen, kranten en eigen vakbonden oprichtten. De confessionele vakbonden waren minder fel dan de socialistische, maar streefden eveneens naar betere omstandigheden.

Overheidsingrijpen en sociale wetten

Gedurende een groot deel van de 19e eeuw lag de macht in Nederland bij rijke burgers. De meesten van hen waren **liberalen**: mensen die vonden dat vrijheid goed is voor de burgers en de samenleving en dat mensen zoveel mogelijk zelf moesten doen. Liberalen stonden voor grondrechten zoals vrijheid van meningsuiting, godsdienst, drukpers, onderwijs en vereniging. Aanvankelijk vonden liberalen dat de overheid zich niet mocht bemoeien met lonen of werktijden; dit moesten werkgevers en werknemers onderling regelen. Toen steeds duidelijker werd dat arbeiders werden uitgebuit, veranderde de houding van de overheid. Er kwamen drie belangrijke sociale wetten tot stand:

Het Kinderwetje van Van Houten (1874): deze wet verbood het werken in fabrieken voor kinderen onder de 12 jaar. Werken op het land of in het huishouden bleef toegestaan. Een zwak punt van deze wet was dat er nauwelijks op werd gecontroleerd.

De Arbeidswet (1889): deze wet verbood lange werkdagen, gevaarlijk werk en nachtarbeid in fabrieken en werkplaatsen voor vrouwen en kinderen tot 12 jaar. Belangrijk was dat er bij deze wet wel controle werd ingesteld op de naleving. In 1919 werd een nieuwe Arbeidswet aangenomen, die de werkdag beperkte tot maximaal 8 uur en de werkweek tot maximaal 45 uur.

De Leerplichtwet (1901): deze wet verplichtte kinderen van 6 tot 12 jaar om naar school te gaan, wat de situatie van kinderen definitief verbeterde.

De strijd om algemeen kiesrecht

In de 19e eeuw mochten alleen vermogende mannen stemmen. Vanaf 1886 werd dit uitgebreid naar mannen die konden lezen en schrijven, wat neerkwam op slechts 26% van de mannen. Arbeiders hadden hierdoor geen politieke invloed. Om hun leef- en werkomstandigheden via wetgeving te veranderen, streden socialisten vanaf 1897 via massademonstraties voor **algemeen kiesrecht**: het voor iedereen geldende recht om te stemmen. In 1917 werd de grondwet gewijzigd en kregen alle mannen vanaf 25 jaar kiesrecht. Rond 1900 waren ook vrouwen wettelijk achtergesteld: zij verdienden minder dan mannen voor hetzelfde werk, hadden nauwelijks onderwijskansen en mochten niet stemmen. Vanuit de middenklasse en de hoge burgerij ontstond een beweging van **feministen**: vrouwen die het niet eens waren met de ongelijkheid tussen de seksen en streden voor betere onderwijskansen en vrouwenkiesrecht. Uiteindelijk sloten ook veel arbeidersvrouwen zich hierbij aan. In 1919 werd het algemeen kiesrecht uitgebreid naar vrouwen, waardoor vanaf dat moment ook alle vrouwen van 25 jaar en ouder mochten stemmen.