Les over HISTORISCHE CONTEXT 3 China 1842-2001
Het Chinese Keizerrijk (1644 - 1850)
Het Chinese Keizerrijk (1842 - 1911)
De Chinese Republiek (1912-1924)
De Chinese Republiek (1925-1949)
Communistisch China (1949-1965)
Communistisch China (1966-2001)

China 1842-2001: van keizerrijk tot economische grootmacht
Leerdoelen
•Je kunt beschrijven hoe en waarom het centrale gezag in China gedurende de 18e eeuw verzwakte.
•Je kunt beschrijven hoe de westerse inmenging in China in de 19e eeuw steeds meer toenam.
•Je kunt met voorbeelden uitleggen hoe Chinezen zich verzetten tegen of reageerden op het westers imperialisme.
•Je kunt beschrijven hoe het Chinese Keizerrijk tussen 1900 en 1911 tot een einde kwam.
•Je kunt de invloed van het confucianisme op de hiërarchische structuur van het Chinese keizerrijk uitleggen.
•Je kunt de oorzaken en gevolgen van de Opiumoorlogen en de daaruit voortvloeiende ongelijke verdragen analyseren.
•Je kunt de belangrijkste partijen noemen die tussen 1911 en 1927 in China om de macht streden en aangeven wat ze nastreefden.
•Je kunt in eigen woorden uitleggen wat er rond 1927, 1937, 1945 en 1949 veranderde in de verhouding tussen de nationalistische partij en de communistische partij.
•Je kunt de relatie tussen China en de Verenigde Staten en die tussen China en de Sovjet-Unie beschrijven en uitleggen hoe China bij de Koude Oorlog betrokken werd.
•Je kunt de drie principes van Sun Yat-sen (nationalisme, democratie en socialisme) toelichten.
•Je kunt de betekenis van de 4 Meibeweging voor de modernisering van China verklaren.
•Je kunt de impact van de Japanse bezetting op de binnenlandse politieke verhoudingen in China beschrijven.
•Je kunt uitleggen wat de Grote Sprong Voorwaarts en de Culturele Revolutie inhielden en welke gevolgen ze hebben gehad.
•Je kunt uitleggen of er na de dood van Mao op economisch en politiek gebied sprake was van verandering of continuïteit.
•Je kunt uitleggen hoe de banden tussen China en de Sovjet-Unie en die tussen China en het Westen (met name de Verenigde Staten) veranderden tussen 1949 en het heden.
•Je kunt de Vier Moderniseringen van Deng Xiaoping en hun effect op de Chinese economie beschrijven.
•Je kunt de spanning tussen economische liberalisering en het gebrek aan politieke democratisering in China analyseren.
•Je kunt de betekenis van de teruggave van Hongkong en Macao voor de positie van China op het wereldtoneel verklaren.
Belangrijke jaartallen
•1792: lord George Macartney leidt een Britse diplomatieke missie naar het hof van de Chinese keizer om meer handelsmogelijkheden te vragen.
•1839-1860: de Opiumoorlogen tussen China en Groot-Brittannië (en later Frankrijk).
•1842: de ondertekening van het Verdrag van Nanking, het eerste van de ongelijke verdragen.
•1851-1864: de Taipingopstand in het midden, zuiden en oosten van China.
•1853-1868: de Nianopstand van boeren in het noorden van China.
•1899-1901: de Bokseropstand tegen buitenlanders en westerse invloed.
•1911: de Chinese Revolutie maakt een einde aan de Qingdynastie en het keizerrijk.
•1912: de Republiek China wordt uitgeroepen met Sun Yat-sen als eerste president.
•4 mei 1919: ontstaan van de 4 Meibeweging na de demonstraties tegen het Verdrag van Versailles.
•1921: oprichting van de Chinese Communistische Partij (CCP).
•1926-1928: de Noordelijke Veldtocht onder leiding van Chiang Kai-shek om China te herenigen.
•1927: Chiang Kai-shek richt een bloedbad aan onder communisten in Shanghai en herstelt het centrale gezag.
•1931: Japan bezet de Noord-Chinese provincie Mantsjoerije en stelt keizer Puyi aan in een marionettenstaat.
•1934-1935: de Lange Mars van het communistische leger naar het noorden van China.
•1937-1945: de Tweede Wereldoorlog in China en grootschalige Japanse inval.
•1945-1949: hervatting van de Chinese Burgeroorlog tussen nationalisten en communisten.
•1949: Mao Zedong roept de Volksrepubliek China uit; Chiang Kai-shek vlucht naar Taiwan.
•1950-1953: China raakt betrokken bij de Korea-oorlog aan de zijde van Noord-Korea.
•1958-1962: de Grote Sprong Voorwaarts leidt tot een grootschalige hongersnood.
•1962: invoering van een pragmatische economische politiek.
•1966-1969: de Culturele Revolutie brengt grote chaos door de acties van rode gardisten.
•1971: de Volksrepubliek China krijgt de permanente zetel in de VN-Veiligheidsraad ten koste van Taiwan.
•1972: president Richard Nixon bezoekt China en haalt de diplomatieke banden aan.
•1976: overlijden van Mao Zedong; Deng Xiaoping zet de Vier Moderniseringen in gang.
•1989: studentendemonstraties op het Plein van de Hemelse Vrede in Beijing worden hard neergeslagen.
•1997 en 1999: teruggave van achtereenvolgens Hongkong (door Groot-Brittannië) en Macao (door Portugal) aan China.
•2001: China treedt officieel toe tot de Wereldhandelsorganisatie.
Einde van een regionale grootmacht (1842-1911)
Een verzwakte staat
Aan het begin van de 19e eeuw was China een immens keizerrijk met rond de 300 miljoen inwoners, geregeerd door de Qingdynastie. De keizer beschouwde zichzelf als de 'zoon van de hemel' en zag zijn rijk als het absolute middelpunt van de wereld. Het land beschikte over een bloeiende agrarische economie en exporteerde luxe goederen zoals zijde, thee en porselein. Het bestuur werd vanuit het paleizencomplex de Verboden Stad in Beijing uitgeoefend met behulp van een uitgebreid ambtenarenapparaat.

Om tot de machtige klasse van ambtenaren (ook wel mandarijnen genoemd) toe te treden, moesten kandidaten zware staatsexamens afleggen. Deze examens toetsten grondig de kennis van het confucianisme. Dit eeuwenoude gedachtegoed stelde dat een samenleving alleen in harmonie kon voortbestaan als iedereen zich schikte in de sociale hiërarchie en gehoorzaam was aan diens meerdere. De keizerlijke familie stond bovenaan, direct gevolgd door de ambtenaren en geleerden.
Vanaf het einde van de 18e eeuw ontstonden er echter grote interne problemen die het gezag van de keizer en zijn ambtenaren ernstig ondermijnden:
•Hongersnoden: de Chinese bevolking groeide enorm snel, maar de landbouwproductie steeg niet voldoende mee. Dit leidde tot grootschalige voedseltekorten.
•Corruptie: veel provinciale ambtenaren verrijkten zichzelf over de rug van de bevolking en hielden belastinggeld achter.
Modern imperialisme en de Opiumoorlogen
Sinds de 16e eeuw dreven Europese handelaren in beperkte mate handel met China via de haven van Kanton. De Chinese keizers beschouwden westerlingen als 'barbaren' en legden strenge handelsbeperkingen op. In de 19e eeuw veranderde de internationale machtsverhouding ingrijpend door de industriële revolutie in Europa. Westerse landen kregen een grote technologische en militaire voorsprong. Dit luidde het tijdperk van het modern imperialisme in, waarbij Europese mogendheden wereldwijd gebieden veroverden op zoek naar grondstoffen en afzetmarkten.
Omdat de industrialisatie in China uitbleef en het rijk een agrarische staat bleef, kon China zich steeds moeilijker verweren. Britse handelaren kochten grote hoeveelheden Chinese thee, maar wilden de handelsbalans in hun voordeel ombuigen. Zij begonnen daarom verslavende opium uit Brits-Indië China in te smokkelen. Tientallen miljoenen Chinezen raakten verslaafd, wat leidde tot sociale en economische ontwrichting. Toen de keizer de Britse opium in beslag liet nemen en vernietigde, reageerde Groot-Brittannië met geweld. Dit leidde tot de Opiumoorlogen (1839-1860), waarin China werd verslagen door de superieure Britse en Franse stoom- en oorlogsschepen.

Na de nederlagen werd China gedwongen om een reeks ongelijke verdragen te ondertekenen. Deze verdragen dwongen de Chinese overheid tot verregaande concessies:
•Westerse landen kregen toegang tot meerdere verdragshavens (zoals Shanghai), waar westerlingen exterritoriale rechten genoten en buiten de Chinese wetgeving vielen.
•Groot-Brittannië kreeg het strategisch gelegen Hongkong in bezit.
•Buitenlandse mogendheden (waaronder de VS, Rusland en Japan) namen Chinese overheidstaken over, zoals de inname van importbelastingen, en drongen diep in het binnenland door.
De Chinezen verzetten zich
De buitenlandse inmenging en de economische ellende leidden tot grote woede onder de bevolking. Dit vormde de voedingsbodem voor grootschalige emancipatiebewegingen en binnenlandse opstanden van burgers en boeren die streefden naar sociale en politieke gerechtigheid:
•De Taipingopstand (1851-1864): een religieus en sociaal geïnspireerde opstand in het zuiden en midden van China, geleid door een man die zichzelf zag als de broer van Jezus. De opstandelingen verzetten zich tegen de niet-Han Qingdynastie en legden hele regio's in de as voordat keizerlijke troepen hen versloegen.
•De Nianopstand (1853-1868): een grootschalige opstand in het noorden van China, veroorzaakt door hongerlijdende boeren die plunderend door het land trokken.
Om het regime te redden, ontstond aan het hof de Zelfversterkingsbeweging. Aanhangers van deze hervormingsbeweging wilden dat China op militair, technisch en bestuurlijk gebied het voorbeeld van het Westen en Japan zou volgen. Er werden moderne wapenarsenalen gebouwd, scholen opgericht en de traditionele staatsexamens werden afgeschaft. De hervormingen kwamen echter te laat en werden voortdurend tegengewerkt door conservatieve krachten rond de keizerlijke familie.
Het einde van het keizerrijk
Omstreeks 1900 groeide het nationalisme onder de bevolking: het idee dat het Chinese volk recht had op zelfbestuur zonder westerse overheersing. In 1899 kwamen arme boeren in opstand tegen de buitenlandse aanwezigheid. Deze Bokseropstand (1899-1901) werd gericht tegen westerse ambassades, christelijke missionarissen en spoorlijnen.

Keizerin-weduwe Cixi besloot de boksers te steunen in een poging het buitenland te verdrijven. Een internationale troepenmacht sloeg de opstand echter hardhandig neer en legde China enorme herstelbetalingen op. Het keizerlijke hof verloor hierdoor het laatste restant van het vertrouwen van de bevolking en het leger. Een kleinschalige militaire opstand in 1911 mondde uit in de Chinese Revolutie, die het definitieve einde betekende van meer dan tweeduizend jaar keizerrijk.
Ontstaan van de Volksrepubliek China (1912-1949)
De Republiek China en de crisis van het centrale gezag
In 1912 werd de Republiek China officieel uitgeroepen. Grondlegger van de nieuwe republiek was Sun Yat-sen, oprichter van de nationalistische partij (de Kwomintang). Zijn gedachtegoed rustte op drie principes:
•Nationalisme: het verenigen van alle volkeren binnen China om een vuist te maken tegen het westers imperialisme.
•Democratie: het vestigen van een grondwettelijke republiek met gekozen volksvertegenwoordigers.
•Socialisme: het bestrijden van armoede en sociale misstanden door het volk bestaanszekerheid te bieden.
Sun Yat-sen werd de eerste president, maar de democratisering mislukte al snel. Generaal Yuan Shikai trok de macht naar zich toe, vervolgde de nationalisten en liet zichzelf in 1915 tot keizer kronen. Na zijn dood in 1916 viel het centrale gezag volledig uiteen. China kwam terecht in een chaotisch tijdperk waarin lokale militaire machthebbers, de zogenaamde krijgsheren, elkaar bevochten.

De 4 Meibeweging en de opkomst van het communisme
Tijdens de Eerste Wereldoorlog steunde China de geallieerden in de hoop bezette gebieden terug te krijgen. Het Verdrag van Versailles (1919) wees de voormalige Duitse concessies in China echter toe aan Japan. Dit leidde op 4 mei 1919 tot massale studentenprotesten in Beijing. Deze 4 Meibeweging streefde naar ingrijpende modernisering van de samenleving.
Door het teleurstellende optreden van westerse landen keerden veel intellectuelen zich af van de westerse democratie. Zij keken naar de Sovjet-Unie, waar na de Russische Revolutie van 1917 een staat was ontstaan gebaseerd op het communisme. Onder invloed van de Sovjet-Unie werd in de vroege jaren 1920 de Chinese Communistische Partij (CCP) opgericht. De Sovjet-Unie ondersteunde aanvankelijk zowel de CCP als de nationalistische Kwomintang om het westers imperialisme te bestrijden.
Van samenwerking naar burgeroorlog
Na het overlijden van Sun Yat-sen in 1925 werd generaal Chiang Kai-shek de leider van de nationalistische partij. Om China te herenigen, begonnen nationalisten en communisten samen aan de Noordelijke Veldtocht (1926-1928) tegen de lokale krijgsheren.

Zodra de succesvolle veldtocht vorderde, keerde Chiang Kai-shek zich tegen zijn bondgenoten. In 1927 richtte het nationalistische leger een bloedbad aan onder de communisten in Shanghai. De overlevende communisten moesten onderduiken op het platteland. Onder leiding van Mao Zedong bouwden de communisten daar een nieuwe machtsbasis op onder de arme boeren. Toen Chiang hun basis in Zuid-China omsingelde, begonnen de communisten in 1934 aan de 8.000 kilometer lange Lange Mars naar het veilige noorden van China.
Chiang Kai-shek herstelde het centrale gezag en startte moderniseringen in de steden, maar zijn regime bleef corrupt en liet de boerenbevolking in diepe armoede achter.
Japanse agressie en de Tweede Wereldoorlog
In 1931 viel Japan het noordoosten van China binnen en stichtte in Mantsjoerije een fascistische marionettenstaat met de voormalige keizer Puyi als leidersfiguur. De Japanse overheersers voerden een wreed bewind en beschouwden de Chinese bevolking als ondergeschikt.

Vanaf 1937 begon Japan een grootschalige invasie van de rest van China. Noodgedwongen vormden de nationalisten van Chiang Kai-shek en de communisten van Mao Zedong opnieuw een gezamenlijk front tegen de Japanse bezetter. Gedurende de Tweede Wereldoorlog streden beide partijen echter niet alleen tegen de Japanners, maar hielden zij elkaar ook nauwlettend in de gaten.
De communistische machtsovername
Na de overgave van Japan in 1945 vlamde de Chinese Burgeroorlog in volle hevigheid weer op. De nationalistische regering had door corruptie en economische chaos alle steun verloren. De communisten wonnen juist massaal aan populariteit door land te herverdelen onder arme boeren. In 1949 behaalden de troepen van Mao de overwinning. Op 1 oktober 1949 riep Mao Zedong de Volksrepubliek China uit. Chiang Kai-shek en zijn aanhangers vluchtten naar het eiland Taiwan, waar zij de Republiek China voortzetten.
Door het uitbreken van de Koude Oorlog raakte het conflict internationaal verknoopt: de Volksrepubliek China werd gesteund door de communistische Sovjet-Unie, terwijl de VS Taiwan beschermden. Hierdoor behield het kleine Taiwan tot 1971 de permanente zetel van China in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties.
De Volksrepubliek wordt een wereldmacht (1949-2001)
De opbouw van de staat en de Grote Sprong Voorwaarts
Na 1949 vormde de CCP de samenleving om volgens het marxistisch-leninistische model. Door middel van propaganda werd het geloof in de klassenstrijd verspreid. De landbouw en industrie werden in eerste instantie gemoderniseerd met hulp van de Sovjet-Unie.
Na het overlijden van Stalin (1953) raakte Mao teleurgesteld in de meer gematigde koers van de Sovjet-Unie. Mao besloot dat China op eigen kracht in een razendsnel tempo een industriële grootmacht moest worden. In 1958 lanceerde hij de Grote Sprong Voorwaarts (1958-1962). Dit beleid omvat twee pijlers:
•Collectivisatie: particulier bezit van landbouwgrond werd afgeschaft en boeren werden samengevoegd in kolossale volkscommunes.
•Grootschalige industrialisatie: boeren moesten op het platteland in primitieve hoogovens staal gaan produceren.

De campagne eindigde in een dramatische mislukking. De landbouwproductie stortte in, wat leidde tot een hongersnood waarbij tientallen miljoenen mensen omkwamen. In 1962 werd Mao gedwongen terug te treden uit het dagelijks bestuur en voerde de CCP een pragmatische economische politiek in, waarbij boeren weer kleine privé-stukjes land mochten bewerken.
Breuk met de Sovjet-Unie en de Culturele Revolutie
De ideologische verschillen tussen China en de Sovjet-Unie leidden omstreeks 1960 tot een definitieve breuk. China raakte hierdoor internationaal geïsoleerd en zocht contact met niet-gebonden landen in Azië en Afrika.
Om zijn absolute macht te herstellen, ontketende Mao de Culturele Revolutie (1966-1969). Hij riep de Chinese jeugd op om in opstand te komen tegen de gevestigde partijtop en oude tradities. Jongeren organiseerden zich in radicale knokploegen, de rode gardisten. Rondom Mao ontstond een intense persoonlijkheidscultus, waarbij iedereen het 'Rode Boekje' met zijn citaten bij zich moest dragen.
De Culturele Revolutie ontwrichtte het hele land door drie kenmerken:
•Anti-traditioneel: het vernielen van eeuwenoude tempels, kunstschatten en monumenten.
•Anti-intellectueel: het vervolgen en vernederen van docenten, wetenschappers en kunstenaars; scholen werden gesloten.
•Xenofobie: extreme angst en haat tegenover buitenlanders en vreemde invloeden.
Pas toen de chaos de economie en maatschappij volledig verlamde, greep het leger in om een einde te maken aan de terreur van de rode gardisten.
De Vier Moderniseringen onder Deng Xiaoping
Na de dood van Mao Zedong in 1976 kwam Deng Xiaoping aan de macht. Hij sloeg een zakelijke koers in en introduceerde de Vier Moderniseringen: de hervorming van de landbouw, industrie, wetenschap & technologie en defensie.
Deng voerde een ingrijpende liberalisering van de economie door: communes werden opgeheven, boeren mochten weer winst maken en er werden Speciale Economische Zones ingesteld waar buitenlandse bedrijven mochten investeren. De welvaart in China steeg in een historisch hoog tempo.
thought
Deze economische vrijheid ging echter uitdrukkelijk niet gepaard met politieke democratisering. Toen studenten en burgers in 1989 massaal demonstreerden voor democratie en vrijheid op het Plein van de Hemelse Vrede in Beijing, liet de regering het protest met militaire middelen neerrijden.

Toenadering tot het Westen en opkomst als wereldmacht
Al in de jaren 1970 zocht China toenadering tot het Westen om de Sovjet-Unie te weerstaan. In 1972 bracht de Amerikaanse president Richard Nixon een historisch bezoek aan Mao Zedong. Dit leidde tot diplomatieke erkenning en de overdracht van de permanente zetel in de VN-Veiligheidsraad van Taiwan naar de Volksrepubliek China.

Onder opvolger Jiang Zemin zette de stormachtige economische groei door. Symbolisch voor het einde van het westerse imperialisme was de teruggave van de koloniën Hongkong (door Groot-Brittannië in 1997) en Macao (door Portugal in 1999). Met de toetreding tot de Wereldhandelsorganisatie in 2001 vestigde China definitief zijn positie als economische en politieke wereldmacht: een uniek systeem van een kapitalistische marktsturing onder een authoritarian communistisch eenpartijbewind.