Les over 2.1 De Verlichting (1650-1789)

Les over 2.1 De Verlichting (1650-1789)

Gemaakt door Ainstein
2.1 De Verlichting (1650-1789)
Deze video bestaat uit
  • De verlichting en religieDe verlichting en religie
  • De Verlichting en politiekDe Verlichting en politiek
Verberg docent
Afspelen
Geluid uitzetten
Afspeelsnelheid
00:00 / 26:28
Ondertiteling/CC
Instellingen
Volledig scherm
Presenter poster
Onderwerpen in deze video
Meer informatie

Hoe veranderde De Verlichting (1650-1789) de samenleving?

Leerdoelen

Je kunt vier ontwikkelingen noemen die de wetenschappelijke revolutie in de 17e eeuw verklaren.

Je kunt uitleggen dat verlichte denkers een nieuwe, kritische en optimistische visie op de maatschappij ontwikkelden.

Je kunt het verschil tussen het rationalisme en het empirisme verklaren.

Je kunt de ideeën van verlichte denkers over religie, politiek en economie uitleggen.

Je kunt de verschillende opvattingen van Locke en Rousseau over het sociaal contract vergelijken.

Je kunt de werking van de scheiding der machten volgens Montesquieu beschrijven.

Je kunt de economische ideeën van Adam Smith over vrije concurrentie toelichten.

Je kunt beschrijven op welke twee manieren vorsten reageerden op de verspreiding van verlichte ideeën.

Belangrijke jaartallen

1600-1700: de wetenschappelijke revolutie vindt plaats in West-Europa.

1650: het begin van de Verlichting, waarin wetenschappelijke methoden op de maatschappij worden toegepast.

1800: rond dit jaar komt er een einde aan de economische politiek van het mercantilisme.

Een nieuwe kijk op wetenschap

Tot in de 16e eeuw vertrouwden wetenschappers hoofdzakelijk op het gezag van anderen, zoals de Bijbel, kerkelijke geschriften en klassieke auteurs uit de oudheid. In de 16e en 17e eeuw veranderde deze aanpak grondig: geleerden begonnen zelfstandig na te denken, te observeren en te redeneren. Door het gebruik van nieuwe instrumenten, zoals microscopen en telescopen, deden zij tal van ontdekkingen. Deze snelle vernieuwing tussen 1600 en 1700 wordt de wetenschappelijke revolutie genoemd. Vier historische ontwikkelingen verklaren het ontstaan van deze wetenschappelijke revolutie:

Ontdekkingsreizen: Europeanen kwamen in aanraking met onbekende gebieden, planten, dieren en culturen. Hierdoor bleek het traditionele, aan de Bijbel ontleende wereldbeeld niet meer te klopen en zochten geleerden naar nieuwe verklaringen.

Humanisme: deze geleerdencultuur bracht een hernieuwde belangstelling voor de klassieke oudheid. Door kritische tekstanalyses ontdekten humanisten dat er in de loop der eeuwen fouten in gekopieerde teksten en Bijbelvertalingen waren geslopen, waardoor bestaande kennis ter discussie kwam te staan.

Debat over ware kennis: er ontstonden twee grote filosofische stromingen over de manier waarop men tot betrouwbare kennis komt:

Het rationalisme van René Descartes zag het verstand en logisch redeneren als de enige betrouwbare kennisbron. De zintuigen waren volgens hem onbetrouwbaar, waardoor rationalisten veel gebruikmaakten van wiskunde en logische principes.

Het empirisme van John Locke stelde juist dat ware kennis voortkomt uit zintuiglijke waarnemingen. In deze stroming staan observeren en experimenteren centraal.

Kruisbestuiving tussen ambacht en wetenschap: wetenschappers benutten ambachtelijke kennis om instrumenten te maken (zoals telescopen, microscopen en uurwerken), terwijl ambachtslieden op hun beurt geïnteresseerd raakten in wetenschappelijke principes.

Portret van René Descartes, grondlegger van het rationalisme
Portret van René Descartes, grondlegger van het rationalisme
Portret van John Locke, grondlegger van het empirisme
Portret van John Locke, grondlegger van het empirisme

De Verlichting: kritisch en optimistisch

Rond 1650 begonnen denkers wetenschappelijke methoden ook toe te passen op de menselijke samenleving. Dit vormde het begin van de Verlichting. Binnen deze stroming moest de rede (het menselijk verstand) leidend zijn, in plaats van eeuwenoude tradities of religieuze dogma's. Verlichte denkers keken met een optimistische blik naar de wereld. Volgens de vooruitgangsgedachte kon de menselijke maatschappij door rationeel denken steeds beter en rechtvaardiger worden. Opvoeding en onderwijs speelden hierin een cruciale rol: kinderen moesten worden opgeleid tot kritische burgers om kennis te verspreiden en bijgeloof en misvattingen te bestrijden.

Ideeën over religie

Tijdens de wetenschappelijke revolutie formuleerde Isaac Newton wiskundige natuurwetten die natuurverschijnselen, zoals de zwaartekracht, verklaarden. Doordat de wereld volgens vaste natuurwetten bleek te functioneren, leek een voortdurende goddelijke ingreep minder noodzakelijk. Verlichte denkers kwamen hierdoor tot het inzicht dat godsdienst een persoonlijke zaak van het individu is. Een vorst mocht een onderdaan geen geloof opleggen; iedereen moest zelfstandig over zijn overtuiging kunnen beslissen.

Ideeën over burgers en macht

Om burgers te beschermen tegen willekeur en machtsmisbruik door de staat, formuleerden verlichte denkers nieuwe politieke theorieën. Zij gingen uit van het natuurrecht: het idee dat ieder mens van nature rechten heeft, zoals het recht op leven, bezit en vrijheid. Macht lag volgens hen oorspronkelijk bij het volk, dat deze macht via een denkbeeldige afspraak — het sociaal contract — had overgedragen aan een vorst om de orde te bewaken. Over de uitwerking hiervan verschilden de filosofen van mening:

John Locke stelde dat de bevolking trouw verschuldigd was aan de koning, zolang deze de burgerlijke rechten beschermde. Pas wanneer de vorst zijn macht misbruikte of de afspraken scheond, had het volk het recht hem af te zetten.

Jean-Jacques Rousseau formuleerde een radicalere visie. Hij ging uit van de algemene wil: wetten moesten rechtstreeks uitdrukken wat alle burgers samen wilden. De regering was slechts een uitvoerder van deze volkswil. Rousseau zag een directe democratie, waarin burgers zelf stemmen, als de beste bestuursvorm. Dit zou ook opkomen voor de belangen van armen en zwakkeren.

Portret van Jean-Jacques Rousseau, filosoof van de algemene wil en het sociaal contract
Portret van Jean-Jacques Rousseau, filosoof van de algemene wil en het sociaal contract

Om machtsmisbruik definitief te voorkomen, bedacht Montesquieu de scheiding der machten. De staatsmacht moest worden opgedeeld in drie onafhankelijke geledingen:

De wetgevende macht: stelt de wetten vast.

De uitvoerende macht: voert de vastgestelde wetten uit.

De rechtsprekende macht: controleert of burgers en de overheid zich aan de wet houden.

Ideeën over economie

Op economisch terrein pleitte Adam Smith voor minimale overheidsbemoeienis. Hij geloofde dat individuen vanuit rationeel eigenbelang de beste economische keuzes maken. Door vrije concurrentie en het toestaan van de vrije markt zou de welvaart en economische groei voor de gehele gemeenschap toenemen. Dit gedachtegoed leidde rond 1800 tot het verdwijnen van het mercantilisme en het afschaffen van middeleeuwse gilden.

Publieke opinie en de reactie van vorsten

In de 18e eeuw ontstond in salons en koffiehuizen een levendige discussiecultuur onder burgers. Door het lezen van tijdschriften en boeken vormde zich een publieke opinie. Deze verspreiding van verlichte ideeën veroorzaakte spanningen met de gevestigde orde. De meeste landen werden geregeerd door middel van het absolutisme, waarbij vorsten naar alleenheerschappij streefden en hun gezag rechtvaardigden met het droit divin (het goddelijk recht). Autoriteiten reageerden op twee verschillende manieren op de nieuwe denkbeelden:

Onderdrukking en censuur: veel absolute vorsten verboden verlichte boeken en pakten kritische auteurs op om hun macht te beschermen.

Verlicht absolutisme: sommige vorsten omarmden verlichte denkbeelden wel, maar hielden de alleenheerschappij vast. Zij legitimeerden hun bestuur niet langer vanuit God, maar met het rationele argument dat zij als 'eerste dienaar van de staat' het algemeen belang het beste konden dienen.