Les over HISTORISCHE CONTEXT 2 Verlichting 1650-1900
De verlichting en religie
De Verlichting en politiek
De Amerikaanse Revolutie
De Franse Revolutie
Liberalisme en nationalisme in de 19e eeuw
Socialisme, feminisme, conservatisme en confessionalisme in de 19e eeuw

Verlichting 1650-1900: ideeën, revoluties en politiek
Leerdoelen
•Je kunt vier ontwikkelingen noemen die de wetenschappelijke revolutie in de 17e eeuw verklaren.
•Je kunt uitleggen dat verlichte denkers een nieuwe, kritische en optimistische visie op de maatschappij ontwikkelden.
•Je kunt het verschil tussen het rationalisme en het empirisme verklaren.
•Je kunt de ideeën van verlichte denkers over religie, politiek en economie uitleggen.
•Je kunt de verschillende opvattingen van Locke en Rousseau over het sociaal contract vergelijken.
•Je kunt de werking van de scheiding der machten volgens Montesquieu beschrijven.
•Je kunt de economische ideeën van Adam Smith over vrije concurrentie toelichten.
•Je kunt beschrijven op welke twee manieren vorsten reageerden op de verspreiding van verlichte ideeën.
•Je kunt uitleggen op welke manier de Verlichting bijdroeg aan het ontstaan van de Verenigde Staten.
•Je kunt de aanleiding en oorzaken van de Amerikaanse Revolutie analyseren.
•Je kunt uitleggen waarom er in de Verenigde Staten ongelijkheid bleef bestaan ondanks verlichtingsidealen.
•Je kunt de politieke en maatschappelijke spanningen benoemen die de verlichtingsidealen in Frankrijk veroorzaakten.
•Je kunt het verloop van de Franse Revolutie in twee fasen en de machtsovername door Napoleon beschrijven.
•Je kunt de rol van de jakobijnen en het schrikbewind tijdens de Franse Revolutie toelichten.
•Je kunt de betekenis van de Code Napoléon voor de rechtsgelijkheid in Europa uitleggen.
•Je kunt het doel en de maatregelen van het Congres van Wenen uitleggen aan de hand van de vorming van het Koninkrijk der Nederlanden.
•Je kunt de betekenis van de Restauratie voor de politieke verhoudingen in Europa na 1815 verklaren.
•Je kunt de uitgangspunten van het liberalisme en de gevolgen voor de Nederlandse politiek benoemen.
•Je kunt de invloed van de grondwetsherziening van Thorbecke op de Nederlandse democratisering toelichten.
•Je kunt drie oorzaken voor de opkomst van het nationalisme in de 19e eeuw en de gevolgen voor Europa beschrijven.
•Je kunt de opkomst van het socialisme en de verschillen tussen de socialistische stromingen uitleggen.
•Je kunt de discussies over de sociale kwestie in de 19e eeuw beschrijven.
•Je kunt de maatschappelijke veranderingen waar feministen naar streefden uitleggen.
•Je kunt beschrijven hoe conservatieve en confessionele partijen ontstonden als reactie op nieuwe politieke bewegingen.
Belangrijke jaartallen
•1600: begin van de wetenschappelijke revolutie in Europa.
•1650: ontstaan van het verlicht denken en de Verlichting.
•1668: Adriaan Koerbagh publiceert zijn kritische woordenboek en wordt gearresteerd.
•1773: inwoners van Boston gooien Britse theelading overboord tijdens de Boston Tea Party.
•1776: de dertien Britse koloniën in Amerika verklaren zich onafhankelijk van Groot-Brittannië.
•1783: Groot-Brittannië erkent de onafhankelijkheid van de Verenigde Staten.
•1789: begin van de Franse Revolutie met de bijeenroeping van de Staten-Generaal, de Eed op de Kaatsbaan en de Verklaring van de rechten van de mens en de burger.
•1789: inwerkingtreding van de Amerikaanse grondwet.
•1791: aanneming van de eerste Franse grondwet, waardoor Frankrijk een constitutionele monarchie wordt.
•1792: instelling van de Franse republiek en gevangenzetting van koning Lodewijk XVI.
•1793-1794: schrikbewind onder leiding van Robespierre en de jakobijnen.
•1799: staatsgreep door generaal Napoleon Bonaparte.
•1804: invoering van het burgerlijk wetboek Code civil (latere Code Napoléon).
•1813: einde van de Franse overheersing van Europa en troonafstand van Napoleon.
•1814-1815: het Congres van Wenen ter herstel van het machtsevenwicht en de monarchale orde.
•1815: definitieve nederlaag van Napoleon bij Waterloo.
•1830: uitbraak van de Belgische Opstand tegen koning Willem I.
•1848: liberale grondwetsherziening in Nederland door Johan Rudolph Thorbecke.
De Verlichting (1650-1789)
Een nieuwe kijk op wetenschap
Tot in de 16e eeuw vertrouwden wetenschappers hoofdzakelijk op het gezag van de Bijbel, kerkelijke geschriften en klassieke auteurs uit de oudheid. In de 16e en 17e eeuw voltrok zich echter een omwenteling die bekendstaat als de wetenschappelijke revolutie (ca. 1600-1700). Geleerden gingen zelfstandig observaties uitvoeren, experimenteren en logisch redeneren om tot kennis te komen. Deze ontwikkeling werd gedreven door vier historische factoren:
1.De ontdekkingsreizen: Europeanen kwamen in aanraking met tot dan toe onbekende werelddelen, volken, planten en dieren. Hierdoor bleek het traditionele, aan de Bijbel ontleende wereldbeeld onvolledig en incompleet.
2.Het humanisme: Humanistische geleerden bestudeerden klassieke Griekse en Romeinse teksten via kritische tekstanalyses. Zij ontdekten dat er bij het eeuwenlang overschrijven van teksten, waaronder de Bijbel, tal van vertaal- en kopieerfouten waren gemaakt.
3.Het debat over kennisverwerving: Er ontstonden twee belangrijke filosofische stromingen over de vraag hoe ware kennis tot stand komt:
•Het rationalisme, met als belangrijkste grondlegger René Descartes, stelde dat het menselijk verstand en het logisch redeneren de enige betrouwbare bron van kennis vormen. De zintuigen leverden volgens hem onbetrouwbare informatie op. In deze stroming speelden de wiskunde en logische principes een centrale rol.
•Het empirisme, aangehangen door onder meer John Locke, stelde juist dat alle kennis voortkomt uit zintuiglijke waarnemingen. Waarnemen, observeren en experimenteren stonden hierbij centraal.
4.Kruisbestuiving tussen ambacht en wetenschap: Wetenschappers maakten gebruik van ambachtelijke instrumenten (zoals microscopen, telescopen en uurwerken), terwijl ambachtslieden op hun beurt geïnteresseerd raakten in wetenschappelijke theorieën.


De Verlichting: kritisch, maar optimistisch
Rond 1650 ontstond uit de wetenschappelijke revolutie de Verlichting: een culturele en filosofische stroming waarin geleerden het verstand (de rede) toepasten op de gehele samenleving. Bestaande tradities, bevoorrechte rechtsposities en religieuze dogma's werden niet langer als vanzelfsprekend geaccepteerd, maar rationeel bekritiseerd. Verlichte denkers kenmerkten zich door een sterk rationeel optimisme en een rotsvast geloof in de vooruitgangsgedachte: de overtuiging dat de mens de maatschappij door middel van de rede stapsgewijs kon verbeteren. Dit vooruitgangsgeloof leidde tot een nieuwe visie op onderwijs en opvoeding. Kinderen moesten vanaf jonge leeftijd worden opgeleid tot zelfstandige, kritisch denkende burgers om bijgeloof, onwetendheid en misvattingen te bestrijden.

Ideeën over religie, politiek en economie
Het verlichte denken leidde tot vernieuwende inzichten op het gebied van godsdienst, staat en economie:
•Religie: Door natuurwetenschappelijke inzichten, zoals de wiskundige natuurwetten van Isaac Newton (waaronder de zwaartekracht), ontstond het beeld dat de natuur functioneerde volgens vaste natuurwetten. Dit mechanistische wereldbeeld verzwakte het idee van continue goddelijke ingrepen. Verlichte denkers stelden dat religie een persoonlijke aangelegenheid van het individu was en niet door de staat of vorst kon worden opgelegd.
•Politiek en staatsinrichting:
•Het natuurrecht vormde het uitgangspunt: de opvatting dat ieder mens van nature onvervreemdbare rechten bezit, zoals het recht op leven, vrijheid en eigendom.
•John Locke en Jean-Jacques Rousseau introduceerden het begrip sociaal contract: een denkbeeldige overeenkomst tussen het volk en de overheid.
•Volgens Locke sloten burgers een contract met de koning voor bescherming van hun natuurrechten. Als de vorst als een tirannieke alleenheerser optrad en deze rechten schond, had het volk het recht hem af te zetten.
•Rousseau formuleerde een radicalere visie gebaseerd op de algemene wil: wetten moesten de directe wil van de gehele gemeenschap uitdrukken. De regering was slechts een uitvoerder van deze wil. Rousseau was daarom een voorstander van een directe democratie, waarin burgers zelf stemmen over wetgeving.
•Charles de Montesquieu bedacht de scheiding der machten (trias politica) om machtsmisbruik te voorkomen. Hij verdeelde de staatsmacht in drie onafhankelijke geledingen: de wetgevende macht (maakt wetten), de uitvoerende macht (voert wetten uit) en de rechtsprekende macht (controleert de naleving van wetten).
•Economie: Adam Smith keerde zich tegen het mercantilisme (waarbij de overheid de eigen economie sterk beschermde). Smith stelde dat individuen vanuit hun eigen belang handelen en dat vrije concurrentie en de vrije markt leiden tot maximale economische groei en algemene welvaart. Dit zorgde rond 1800 voor de afschaffing van middeleeuwse gilden en mercantilistische handelsbeperkingen.

De publieke opinie en de vorst
In de 18e eeuw ontstond in leeszalen, salons en koffiehuizen een openbaar debat onder burgers: de publieke opinie. Dit botste met het heersende absolutisme, waarin vorsten de absolute macht opeisten op basis van het droit divin (het goddelijke recht) en streefden naar bestuurlijke centralisatie. Publicaties die de gevestigde orde of de kerk bekritiseerden werden vaak gecensureerd of verboden, en auteurs riskeerden arrestatie. Sommige vorsten omarmden verlichte ideeën zonder hun alleenheerschappij op te geven. Dit wordt aangeduid als het verlicht absolutisme. Deze verlichte vorsten rechtvaardigden hun bestuur niet langer via het geloof, maar beargumenteerden rationeel dat zij als 'eerste dienaar van de staat' het algemeen belang het beste konden behartigen.
Revoluties in Noord-Amerika en Frankrijk (1776-1813)
De Amerikaanse Revolutie en het ontstaan van de Verenigde Staten
De verlichtingsidealen verspreidden zich in de tweede helft van de 18e eeuw naar de dertien Britse koloniën aan de oostkust van Noord-Amerika. Toen het Britse parlement nieuwe belastingen oplegde zonder dat de kolonisten daarin parlementaire vertegenwoordiging hadden ("no taxation without representation"), ontstond er verzet. In 1773 gooiden opstandelingen in de haven van Boston Britse theeladingen overboord tijdens de Boston Tea Party.

Om hun verzet te coördineren, richtten de kolonisten committees of correspondence op. Deze geheime overlegorganen stemden de verzetsacties af en namen op veel locaties de bestuurstaken van het verdreven Britse gezag over. Thomas Paine schreef het pamflet Common sense, waarin hij de opstand rechtvaardigde met een beroep op het natuurrecht. Onder leiding van generaal George Washington vochten de opstandelingen in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog. Op 4 juli 1776 namen de dertien koloniën de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring aan, en in 1783 erkende Groot-Brittannië hun onafhankelijkheid. De nieuwe staat werd ingericht volgens de grondwet van 1789:
•De Verenigde Staten werden een federatie van staten met een gekozen president als staatshoofd.
•De staatsinrichting werd strikt gebaseerd op de scheiding der machten (trias politica).
•De grondrechten van burgers werden verankerd op basis van volkssoevereiniteit en gelijkheid voor de wet.

Ongelijkheid in de nieuwe republiek
Hoewel de Amerikaanse grondwet uitging van verlichte idealen, gold het volledige staatsburgerschap in de praktijk uitsluitend voor een kleine bovenlaag van vermogende, witte, protestantse mannen. Grote groepen inwoners werden expliciet uitgesloten:
•Inheemse bevolking: Zij werden met geweld verdrongen van hun stamgronden en bezaten geen politieke rechten.
•Vrouwen: Zij hadden geen stemrecht en waren uitgesloten van het bestuur.
•Zwarte slaafgemaakten: In de zuidelijke staten bleef de slavernij op grote schaal bestaan ten behoeve van de plantage-economie. De juridische status van slaafgemaakten bleef die van bezit, wat in de 19e eeuw zou leiden tot grote spanningen met het Noorden.
Aanloop naar de Franse Revolutie
In Frankrijk zorgde het voortbestaan van de standensamenleving voor onvrede. Deze maatschappijstructuur was verdeeld in drie standen:
1.De geestelijkheid (eerste stand): bezat privileges en belastingvrijstellingen.
2.De adel (tweede stand): bezat eveneens privileges en bestuurlijke voorrechten.
3.De derde stand (burgers en boeren): droeg vrijwel alle belastingdruk. De rijke burgerij (kooplieden, bankiers) bezat wel economische macht, maar had geen politieke inspraak.

In 1789 leidde een acute financiële crisis tot het bijeenroepen van de Staten-Generaal door koning Lodewijk XVI. Toen de standen het niet eens konden worden over de stemprocedure, verlieten de vertegenwoordigers van de derde stand de vergadering. Zij verklaarden zichzelf tot de Nationale Vergadering en zweerden tijdens de Eed op de Kaatsbaan niet uiteen te gaan voordat Frankrijk een grondwet had. Op 14 juli 1789 escaleren de spanningen met de bestorming van de Bastille in Parijs: het definitieve begin van de Franse Revolutie.

Het verloop van de Franse Revolutie en Napoleon
De Franse Revolutie verloopt in twee fasen, gevolgd door het keizerrijk van Napoleon:
•De eerste revolutie (1789-1792):
•De privileges van de adel en de geestelijkheid worden afgeschaft.
•De Nationale Vergadering neemt in 1789 de Verklaring van de rechten van de mens en de burger aan, die gelijke rechten en vrijheden garandeert.
•Met de grondwet van 1791 wordt Frankrijk een constitutionele monarchie. Het parlement wordt gekozen via censuskiesrecht (alleen vermogende mannen mogen stemmen). Feministes zoals Olympe de Gouges vragen tevergeefs aandacht voor vrouwenrechten via de Verklaring van de rechten van de vrouw.
•De tweede revolutie (1792-1799):
•Radicale revolutionairen, de jakobijnen, grijpen de macht. Zij schaffen de monarchie af en roepen de republiek uit. Koning Lodewijk XVI wordt berecht en geëxecuteerd onder de guillotine.
•Onder leiding van Maximilien de Robespierre stellen de jakobijnen een schrikbewind (terreur) in. Vermeende tegenstanders van de revolutie worden massaal ter dood gebracht. Ook voeren zij het algemeen mannenkiesrecht en maximumprijzen voor voedsel in.
•Het Franse Keizerrijk (1799-1815):
•In 1799 maakt generaal Napoleon Bonaparte met een staatsgreep een einde aan de bestuurlijke chaos. Hij kroont zichzelf tot keizer.
•Napoleon voerde in de veroverde Europese gebieden de Code Napoléon (Code civil, 1804) in. Dit wetboek verankerde de rechtsgelijkheid van alle burgers, garandeerde godsdienstvrijheid en beschermde het privé-eigendom. Napoleon werd definitief verslagen bij Waterloo in 1815.

Politieke cultuur in Europa (1813-1900)
De Restauratie en het Congres van Wenen
Na de val van Napoleon kwamen de Europese grootmachten bijeen tijdens het Congres van Wenen (1814-1815). Het doel was om de politieke orde van vóór 1789 te herstellen (de Restauratie) en een nieuw machtsevenwicht te scheppen om Franse expansie te voorkomen.
•De traditionele monarchieën werden hersteld, waarbij de adel en de kerk hun oude invloed grotendeels terugkregen.
•Om Frankrijk in te dammen werden sterke bufferstaten gevormd, zoals het Koninkrijk der Nederlanden (een samenvoeging van de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden en Luxemburg onder koning Willem I).
•De Code Napoléon bleef in veel landen, waaronder Nederland, gedeeltelijk gehandhaafd.

Liberalisme en de Nederlandse grondwetsherziening
Als reactie op de Restauratie ontstond het liberalisme. Deze stroming stelde de individuele vrijheid van burgers tegenover de macht van de staat centraal. Liberalen streefden naar grondwettelijke burgerrechten (zoals persvrijheid en vrijheid van godsdienst) en invloed van het parlement via censuskiesrecht. In het Koninkrijk der Nederlanden leidde liberale onvrede over het absolutistische beleid van koning Willem I in 1830 tot de Belgische Opstand, waarna België zich afscheidde als een onafhankelijke staat met een liberale grondwet. In 1848 leidde een Europese revolutigolf in Nederland tot de liberale grondwetsherziening van Johan Rudolph Thorbecke:
•De koning werd onschendbaar en de ministers werden politiek verantwoordelijk voor het beleid (ministeriële verantwoordelijkheid).
•Het parlement kreeg de werkelijke wetgevende macht en werd gekozen door vermogende mannen via censuskiesrecht. Hiermee werd de basis gelegd voor de Nederlandse parlementaire democratie.

Nationalisme in de 19e eeuw
Het nationalisme kwam op als een beweging die streefde naar het samenvallen van de natie (het volk) en de staat in een natiestaat. Het ontstaan van het nationalisme had drie specifieke oorzaken:
1.Rousseaus concept van de algemene wil: burgers werden gezien als een hechte gemeenschap die gezamenlijk soevereiniteit bezat.
2.De Napoleontische overheersing: de uniformering van wetten en het verzet tegen Franse bezetting versterkten het nationale eenheidsgevoel in veel landen.
3.De Romantiek: deze culturele stroming legde de nadruk op gevoel, emotie, nationale geschiedenis, volkscultuur en taal.
Het nationalisme leidde enerzijds tot de eenwording van versnipperde gebieden (zoals de stichting van Italië in 1861 en het Duitse Keizerrijk in 1871) en anderzijds tot het afbrokkelen van multi-etnische rijken, zoals het Ottomaanse Rijk.
Socialisme en de sociale kwestie
Door de industriële revolutie ontstond de sociale kwestie: de discussie over de slechte werkomstandigheden, lage lonen en krottenwijken van het industriële werkvolk (het proletariaat). Uit solidariteit met de arbeidersklasse ontstond het socialisme, dat sociaaleconomische gelijkheid en overheidsingrijpen nastreefde. Binnen het socialisme tekenden zich drie hoofdstromingen af:
•Communisme: Grondlegger Karl Marx beargumenteerde in Das Kapital dat de klassenstrijd tussen de bourgeoisie (bezittende klasse) en het proletariaat onvermijdelijk zou leiden tot een gewapende revolutie. De arbeiders zouden de macht grijpen, een 'dictatuur van het proletariaat' vestigen en een klasseloze samenleving zonder privébezit realiseren.
•Anarchisme: Deze stroming streefde via een revolutie naar de afschaffing van het kapitalisme én de algehele staat, ter vorming van een kleinschalige maatschappij zonder dwang of autoriteit.
•Sociaaldemocratie: Sociaaldemocraten verwierpen de gewapende revolutie en kozen voor de parlementaire weg. Door kiesrechtuitbreiding wilden zij via sociale wetgeving de positie van arbeiders stapsgewijs verbeteren.

Feminisme en de strijd voor gelijke rechten
In de 19e eeuw werd de maatschappij beheerst door het burgerlijk gezinsideaal, waarin de man voor het inkomen zorgde en de vrouw zich beperkte tot het huishouden en de opvoeding. Het feminisme ontstond als een emancipatiebeweging die strijdt tegen de juridische en maatschappelijke achterstelling van vrouwen. Feministen, onder wie de eerste Nederlandse vrouwelijke universiteitsstudent Aletta Jacobs, richtten zich in de eerste plaats op het verkrijgen van vrouwenkiesrecht. Daarnaast streefden zij naar gelijke toegang tot hoger onderwijs, uitbreiding van beroepsmogelijkheden voor vrouwen en de aanpak van maatschappelijke misstanden zoals drankmisbruik en prostitutie.
Conservatisme en confessionalisme
Niet alle groepen streefden naar vernieuwing. De gevestigde bestuurlijke en kerkelijke elite reageerde met behoudende stromingen:
•Het conservatisme wilde de bestaande maatschappelijke orde en traditionele gezagsverhoudingen behouden. Conservatieven zagen de ontwrichting tijdens de Franse Revolutie als bewijs dat snelle veranderingen tot chaos leiden. Een sterke monarchie bood volgens hen de beste garantie voor stabiliteit.
•Het confessionalisme nam het christelijke geloof en de Bijbel als uitgangspunt voor politiek handelen. Confessionelen keerden zich tegen de liberale scheiding van kerk en staat en de socialistische klassenstrijd. Geconfronteerd met de sociale kwestie bepleitten zij christelijk-sociale politiek op basis van naastenliefde. In Nederland manifesteerden confessionelen zich via emancipatiebewegingen (zoals de Anti-Revolutionaire Partij van Abraham Kuyper) in de strijd voor gelijke financiële subsidie voor het bijzonder onderwijs (de Schoolstrijd).
