Het werkwoord 'faire'
In deze samenvatting wordt het Franse werkwoord faire behandeld, wat 'doen' of 'maken' betekent, in verschillende tijden: de présent, passé composé, imparfait, futur proche, futur simple, en de conditionnel. We zullen de vervoegingen en het gebruik van faire in elke tijd bespreken, samen met enkele handige tips en voorbeeldzinnen.
Leerdoelen
•Ik ken de verschillende werkwoordstijden
•Ik weet hoe ik het werkwoord ‘faire’ moet vervoegen in de
•présent
•passé composé
•imparfait
•futur proche
•futur simple
•conditionnel
•Ik kan oefenen met een paar simpele zinnetjes.
Présent (tegenwoordige tijd)
In de présent gebruik je faire om aan te geven wat je nu doet of maakt. Hier zijn de vervoegingen:
Je fais | Ik doe/maak |
Tu fais | Jij doet/maakt |
Il/Elle/On fait | Hij/Zij/Men doet/maakt |
Nous faisons | Wij doen/maken |
Vous faites | Jullie doen/maken OF U doet/maakt |
Ils/Elles font | Zij doen/maken |
💡Tip: Let op de afwijkende vorm bij ‘vous faites’. Dit is een uitzondering die je moet onthouden.
Voorbeeldzinnen:
•Je fais mes devoirs. (Ik maak mijn huiswerk.)
•On fait de la musique. (Wij maken muziek.)
Passé composé (voltooid tegenwoordige tijd)
De passé composé gebruik je voor afgeronde gebeurtenissen in het verleden. Het bestaat uit een hulpwerkwoord (avoir) en het voltooid deelwoord van faire.
Je ai (J'ai) fait | Ik heb gedaan/gemaakt |
Tu as fait | Jij hebt gedaan/gemaakt |
Il/Elle/On a fait | Hij/Zij/Men heeft gedaan/gemaakt |
Nous avons fait | Wij hebben gedaan/gemaakt |
Vous avez fait | Jullie hebben gedaan/gemaakt OF U heeft gedaan/gemaakt |
Ils/Elles ont fait | Zij hebben gedaan/gemaakt |
💡Tip: Gebruik het rijtje van avoir als hulpwerkwoord.
Voorbeeldzin:
•Nous avons fait une promenade. (Wij hebben een wandeling gemaakt.)
Imparfait (onvoltooid verleden tijd)
De imparfait gebruik je voor gewoontes of beschrijvingen in het verleden.
Je faisais | Ik deed/maakte |
Tu faisais | Jij deed/maakte |
Il/Elle/On faisait | Hij/Zij/Men deed/maakte |
Nous faisions | Wij deden/maakten |
Vous faisiez | Jullie deden/maakten OF U deed/maakte |
Ils/Elles faisaient | Zij deden/maakten |

💡Tip: De stam van de imparfait komt van de nous-vorm in de présent (nous faisons).
Voorbeeldzin:
•Ils faisaient du jogging. (Zij deden aan joggen.)
Futur proche (nabije toekomst)
De futur proche gebruik je voor acties die binnenkort gaan gebeuren.
Je vais faire | Ik ga doen/maken |
Tu vas faire | Jij gaat doen/maken |
Il/Elle/On va faire | Hij/Zij/Men gaat doen/maken |
Nous allons faire | Wij gaan doen/maken |
Vous allez faire | Jullie gaan doen/maken OF U gaat doen/maken |
Ils/Elles vont faire | Zij gaan doen/maken |
💡Tip: Gebruik het werkwoord aller in de présent gevolgd door het hele werkwoord faire. Zorg dus dat je de vervoeging van dit werkwoord ook goed weet!
Voorbeeldzin:
•Vous allez faire du vélo. (U gaat fietsen.)
Futur simple (toekomende tijd)
De futur simple gebruik je voor acties die verder in de toekomst liggen.
Je ferai | Ik zal doen/maken |
Tu feras | Jij zult doen/maken |
Il/Elle/On fera | Hij/Zij/Men zal doen/maken |
Nous ferons | Wij zullen doen/maken |
Vous ferez | Jullie zullen doen/maken OF U zult doen/maken |
Ils/Elles feront | Zij zullen doen/maken |

💡Tip: De stam is 'fer' en de uitgangen komen overeen met die van avoir.
Voorbeeldzin:
•Nous ferons une promenade. (Wij zullen een wandeling maken.)
Conditionnel (voorwaardelijke wijs)
De conditionnel gebruik je voor hypothetische situaties.
Je ferais | Ik zou doen/maken |
Tu ferais | Jij zou doen/maken |
Il/Elle/On ferait | Hij/Zij/Men zou doen/maken |
Nous ferions | Wij zouden doen/maken |
Vous feriez | Jullie zouden doen/maken OF U zou doen/maken |
Ils/Elles feraient | Zij zouden doen/maken |

💡Tip: De stam is hetzelfde als bij de futur simple, maar de uitgangen zijn die van de imparfait.
Voorbeeldzin:
•Vous feriez du vélo. (U zou fietsen.)




