Het werkwoord 'être'
In deze samenvatting gaan we dieper in op het Franse werkwoord être, dat "zijn" betekent. Het is een essentieel werkwoord in het Frans dat in veel verschillende tijden gebruikt wordt. Hieronder bekijken we de vervoegingen van être in de présent, passé composé, imparfait, futur proche, futur simple en conditionnel. Daarbij worden wat handige tips en voorbeeldzinnen gegeven.
Leerdoelen
•Ik ken de verschillende werkwoordstijden
•Ik weet hoe ik het werkwoord ‘être’ moet vervoegen in de
•présent
•passé composé
•imparfait
•futur proche
•futur simple
•conditionnel
•Ik kan oefenen met een paar simpele zinnetjes.
Présent (tegenwoordige tijd)
De présent is de tijd die je gebruikt voor handelingen in het nu. Zo vervoeg je être in de présent:
Je suis | Ik ben |
Tu es | Jij bent |
Il/Elle/On est | Hij/zij/men is |
Nous sommes | Wij zijn |
Vous êtes | Jullie zijn/U bent |
Ils/Elles sont | Zij zijn |
💡 Tip: Let op de 's' bij "tu es", dat maakt het onderscheid met de 't' klanken in "il/elle/on est".
Voorbeeldzinnen:
•Je suis heureux. (Ik ben gelukkig.)
•Nous sommes au travail. (Wij zijn aan het werk.)
Passé composé (voltooide tegenwoordige tijd)
Je gebruikt de passé composé voor afgeronde gebeurtenissen in het verleden:
J'ai été | Ik ben geweest |
Tu as été | Jij bent geweest |
Il/Elle/On a été | Hij/zij/men is geweest |
Nous avons été | Wij zijn geweest |
Vous avez été | Jullie zijn/U bent geweest |
Ils/Elles ont été | Zij zijn geweest |
💡 Tip: Je gebruikt "avoir" als hulpwerkwoord, niet "être", wat ongebruikelijk is vergeleken met het Nederlands.
Voorbeeldzinnen:
•Tu as été triste? (Ben jij verdrietig geweest?)
•Ils ont été enthousiastes. (Zij zijn enthousiast geweest.)
Imparfait (onvoltooid verleden tijd)
De imparfait gebruik je bij onvolledigheden of gewoontes uit het verleden:
J'étais | Ik was |
Tu étais | Jij was |
Il/Elle/On était | Hij/zij/men was |
Nous étions | Wij waren |
Vous étiez | Jullie waren/U was |
Ils/Elles étaient | Zij waren |

💡 Tip: De stam is onverwacht ét, niet afgeleid van de "nous"-vorm zoals bij regelmatige werkwoorden.
Voorbeeldzinnen:
•J'étais heureux. (Ik was gelukkig.)
•Vous étiez en France. (U was in Frankrijk.)
Futur proche (nabije toekomst)
De futur proche gebruik je voor acties die binnenkort zullen plaatsvinden:
Je vais être | Ik zal zijn |
Tu vas être | Jij zult zijn |
Il/Elle/On va être | Hij/zij/men zal zijn |
Nous allons être | Wij zullen zijn |
Vous allez être | Jullie zullen/U zal zijn |
Ils/Elles vont être | Zij zullen zijn |
💡 Tip: Gebruik de vervoegingen van het werkwoord "aller" als hulpwerkwoord.
Voorbeeldzinnen:
•Tu vas être triste? (Ga jij verdrietig zijn?)
•Nous allons être au travail. (Wij gaan op het werk zijn.)
Futur simple (toekomende tijd)
De futur simple gebruik je voor handelingen die in de verder afgelegen toekomst plaats zullen vinden:
Je serai | Ik zal zijn |
Tu seras | Jij zult zijn |
Il/Elle/On sera | Hij/zij/men zal zijn |
Nous serons | Wij zullen zijn |
Vous serez | Jullie zullen/U zal zijn |
Ils/Elles seront | Zij zullen zijn |

💡 Tip: Denk aan het woord servet om "ser" als stam te onthouden.
Voorbeeldzin:
•Nous serons au travail. (Wij zullen op het werk zijn.)
Conditionnel (voorwaardelijke wijs)
De conditionnel gebruik je om hypothetische situaties of beleefdheidsvormen uit te drukken:
Je serais | Ik zou zijn |
Tu serais | Jij zou zijn |
Il/Elle/On serait | Hij/zij/men zou zijn |
Nous serions | Wij zouden zijn |
Vous seriez | Jullie zouden/U zou zijn |
Ils/Elles seraient | Zij zouden zijn |

💡 Tip: Gebruik de imparfait-uitgangen in combinatie met 'ser-'.
Voorbeeldzinnen:
•Tu serais triste? (Zou jij verdrietig zijn?)
•Nous serions au travail. (Wij zouden op het werk zijn.)




