Vul de juiste vorm van de present simple in.
De present simple is een tijdsvorm in het Engels die je helpt om over het heden te praten. Je gebruikt de present simple vooral voor:
1.Feiten: Dingen die altijd waar zijn. Bijvoorbeeld: "the sun rises in the east."
2.Gewoonten: Dingen die je regelmatig doet. Bijvoorbeeld: "I brush my teeth twice a day."
3.Regelmaat: Dingen die vaak gebeuren, maar niet noodzakelijk met een vaste frequentie. Bijvoorbeeld: "we usually take a walk after dinner."
Tip: Let op voor signaalwoorden zoals always, never, often, sometimes, every day, during the week, on Mondays en frequently die vaak in zinnen met de present simple voorkomen.
De structuur van de present simple
Bevestigende zin
De bevestigende vorm van de present simple is vrij eenvoudig. Deze volgt het patroon:
•Onderwerp + hele werkwoord
Bijvoorbeeld:
•"I walk to school every morning."
Bij he/she/it
•Onderwerp + hele werkwoord + s
Bijvoorbeeld:
•"she walks to school every morning."
Ontkennende zin
De ontkennende vorm voegt 'do not' of 'does not' toe voor het werkwoord:
•Onderwerp + do not + hele werkwoord
Bijvoorbeeld:
•"I do not walk to school every morning."
Bij he/she/it:
•Onderwerp + does not + hele werkwoord (let op: geen +s meer!)
Bijvoorbeeld:
•''He does not bike to school every morning.''
Vraagzin
Bij het stellen van een vraag, keert de volgorde om:
•Do + onderwerp + hele werkwoord
Bijvoorbeeld:
•''Do you walk to school every morning?''
Bij he/she/it:
•Does + onderwerp + hele werkwoord (let op: geen +s meer!)
Bijvoorbeeld:
•''Does she walk to school every morning?''

Speciale regels
•Toevoeging van 's' bij 'he', 'she', 'it': Vergeet niet dat bij 'he', 'she', 'it' in de bevestigende vorm een 's' aan de basisvorm van het werkwoord wordt toegevoegd, behalve in ontkennende zinnen en vraagzinnen.
•Werkwoorden eindigend op -sh, -ch, -ss, -o, -x of -z: Bij deze werkwoorden voeg je 'es' toe voor 'he', 'she', 'it'. Bijvoorbeeld: "she washes" of "it buzzes."
•Werkwoorden eindigend op een medeklinker + y: Verander de 'y' in 'ies' voor 'he', 'she', 'it'. Bijvoorbeeld: ''I cry'' naar ''he cries''.













