Stel de variabele kosten zijn 0,5 en de totale constante kosten zijn 10.000.
Wat is de formule van TK?


Test je kennis met de 3 examenvragen die aan dit onderwerp zijn gekoppeld.
Stel de variabele kosten zijn 0,5 en de totale constante kosten zijn 10.000.
Wat is de formule van TK?
In economie worden de kosten van een product of dienst vaak onderverdeeld in variabele kosten en constante kosten. Variabele kosten zijn afhankelijk van de hoeveelheid die je produceert. Als je bijvoorbeeld een tafel maakt, heb je voor elke tafel extra schroeven nodig. Dus, hoe meer tafels je maakt, hoe hoger de kosten voor de schroeven worden.
Aan de andere kant hebben we constante kosten. Deze kosten zijn niet afhankelijk van de productie. Dit betekent dat, ongeacht hoeveel je van een product maakt, deze kosten altijd hetzelfde blijven. Voorbeelden zijn de huur van het gebouw, loonkosten voor vaste medewerkers, of gas, water en licht die gekoppeld zijn aan een vast maandbedrag.
De formule voor het berekenen van totale kosten is:
Totale kosten = Totale variabele kosten + Totale constante kosten
(TK = TVK + TCK)

Je kunt ook de gemiddelde totale kosten berekenen. Dit doe je door de gemiddelde variabele kosten en gemiddelde constante kosten bij elkaar op te tellen. De formules hiervoor zien er als volgt uit:
•Totale variabele kosten/ q = gemiddelde variabele kosten
•Totale constante kosten/ q = gemiddelde constante kosten
•Gemiddelde variabele kosten + gemiddelde constante kosten = gemiddelde kosten
Het is ook mogelijk om de gemiddelde kosten in een keer te berekenen met behulp van de volgende formule:
•Totale kosten/ q = gemiddelde kosten
In de onderstaande grafiek zie je een voorbeeld van de gemiddelde constante kosten. Naarmate de productie vordert, nemen de gemiddelde constante kosten af. Je hebt namelijk een vast bedrag aan constante kosten dat over steeds meer producten verdeeld kan worden.

Dan heb je ook nog de marginale kosten. Dit zijn de extra kosten voor het produceren van één extra eenheid van een product. De formules hiervoor zijn:
•Marginale kosten = verandering van totale kosten / verandering van de hoeveelheid
•Marginale kosten = verandering van totale variabele kosten / verandering van de hoeveelheid
Over bedrijf X is het volgende bekend:
•Constante kosten: 30.000
•Variabele kosten: 100
•Ze hebben een productie van 10.000
Je begint met het berekenen van de totale kosten:
TK = TVK + TCK
TK = 100q + 30.000
TK = 100 x 10.000 + 30.000
TK = 1.030.000,-
Vervolgens bereken je de gemiddelde totale kosten:
GTK = TK/q
GTK = 1.030.000/10.000
GTK = 1.030
Daarna ga je over op het berekenen van de marginale kosten
MK = verandering van totale kosten/ verandering in q
TK = 100q + 30.000.
Je gaat nu voor q verschillende waardes invullen om de verandering te kunnen berekenen
TK = 100 x 1 + 30.000 = 30.100
TK = 100 x 2 + 30.000 = 30.200
De verandering in kosten is 30.100 - 30.200 = 100
De verandering in q = 2 - 1 = 1
MK = 100/1 = 100 euro
De marginale kosten zijn dus 100 euro
Nu we de kostenkant hebben besproken, gaan we naar de andere kant van de economische vergelijking: de opbrengsten. De totale opbrengsten, ook wel de omzet genoemd, bereken je door de verkoopprijs te vermenigvuldigen met de hoeveelheid verkochte producten:
Omzet = Prijs x q
Ook hier kun je weer gemiddeldes berekenen. De gemiddelde opbrengst bereken je door de omzet te delen door de hoeveelheid:
Gemiddelde opbrengst = Omzet/ q
Daarnaast zijn er ook de marginale opbrengsten, die je berekent door de verandering van de omzet te delen door de verandering van de hoeveelheid productie:
Marginale opbrengst = Verandering van omzet/ verandering van q
Om te weten hoeveel winst je maakt, moet je de totale opbrengsten min de totale kosten berekenen:
Totale winst = Totale opbrengsten - Totale kosten
Ook hier kun je het gemiddelde van berekenen:
Gemiddelde winst = Totale winst/ q
Het wordt pas echt interessant wanneer je wilt weten op welk punt er winst wordt gemaakt. Dit wordt het break-even punt genoemd, het punt waar de totale kosten gelijk zijn aan de totale opbrengsten. Bij break-even geldt dus het volgende: TO = TK
De volgende gegevens zijn bekend:
•Constante Kosten = 20.000
•Variabele Kosten = 10
•Prijs = 50
We weten dat voor het break-even punt TO = TK geldt. We moeten dus eerst de formules van TO en TK opstellen.
TO = P x Q
TO = 50q
TK = TVK + TCK
TK = 10q + 20.000
50q = 10q + 20.000
40q = 20.000
q = 500
BEA = 500
Dit betekent dat de producent bij een productiehoeveelheid van 500 stuks zijn break-even afzet heeft bereikt. De break-even afzet ziet dus op de productiehoeveelheid bij het break-even punt.
De Break-even omzet ziet op de hoeveelheid omzet die wordt gemaakt op het break-even punt. Dit bereken je door de break-even afzet te vermenigvuldigen met de prijs: BEO = BEA x P
Dus 500 x 50 = 25.000,-
BEO = 25.000
Alle informatie die ik voor mijn toetsen moet kennen is aanwezig, de powerpoints zijn duidelijk en makkelijk te begrijpen. De opdrachten passen altijd goed bij het onderwerp en ondersteunen goed bij het leren. JoJoschool is erg overzichtelijk voor mij!
Ik gebruik het nu voor Biologie, het werkt ontzettend goed, het is heel overzichtelijk en alles wordt behandeld. Hoog rendement haal ik met leren, geen langdradige verhalen, maar ook niet te moeilijk. Het houdt ook automatisch bij hoe ver je bent.
Het is voor mij een erg goede manier om de leerstof voor toetsen te begrijpen. De video’s zijn een stuk duidelijker en beter dan de meeste video’s op YouTube.

86% van onze leerlingen zegt hoger te scoren.

Een alternatief op dure bijles, altijd uitgelegd door bevoegde docenten.

83% van onze leerlingen zegt onderwerpen sneller te begrijpen.







