Hoe groot is de kans dat hun dochter groene ogen krijgt?
Leerdoelen
•Je kunt een dihybride kruising opstellen.
•Je kunt de verhoudingen in F1 en F2 van een dihybride kruising berekenen.
Dihybride kruisingen
Een dihybride kruising is een kruising waarbij op twee erfelijke eigenschappen tegelijk wordt gelet. Dit is anders dan een monohybride kruising, waarbij slechts op één erfelijke eigenschap wordt gelet. Bij een dihybride kruising wordt uitgegaan van onafhankelijke overerving, wat betekent dat de genen voor de twee eigenschappen op verschillende chromosomen liggen. Als de genen niet op verschillende chromosomen liggen, wordt dit gekoppelde overerving genoemd. Voor de gekoppelde overerving is een aparte les.

Bij onafhankelijke overerving kan een individu dat heterozygoot is voor beide eigenschappen (bijvoorbeeld Aa en Bb) verschillende combinaties van genen in de geslachtscellen produceren. Geslachtscellen zijn cellen zoals spermacellen en eicellen die genen overdragen aan de volgende generatie.
Mogelijke combinaties van allelen in geslachtscellen bij een heterozygoot individu (AaBb) zijn:
•AB
•Ab
•aB
•ab

Hoe stel je een dihybride kruising op en bereken je de F1-generatie?
Om een dihybride kruising op te stellen, begin je met de oude generatie P (ouders), die bij voorkeur homozygoot zijn voor de eigenschappen. Een individu is homozygoot wanneer het twee identieke allelen heeft voor een bepaalde eigenschap, bijvoorbeeld AABB.
Stel, je kruist twee ouders:
1.Een ouder die homozygoot zwart (AA) en homozygoot effen (BB) is.
2.Een ouder die homozygoot rood (aa) en homozygoot gevlekt/bont (bb) is.
De geslachtscellen die deze ouders kunnen produceren zijn:
•Ouder 1 (AABB) produceert alleen geslachtscellen met A en B (AB).
•Ouder 2 (aabb) produceert alleen geslachtscellen met a en b (ab).
Wanneer deze geslachtscellen versmelten, ontstaat de F1-generatie. Alle nakomelingen in de F1-generatie hebben dan het genotype AaBb. Het fenotype, oftewel het uiterlijk, van deze nakomelingen is 100% zwart en effen, omdat de allelen A en B dominant zijn.
ab | |
|---|---|
AB | AaBb |
Hoe bereken je de F2-generatie?
Wanneer de individuen uit de F1-generatie onderling worden gekruist (AaBb x AaBb), ontstaat de F2-generatie. Voor de F2-generatie moeten alle mogelijke combinaties van geslachtscellen van de F1-individuen in kaart worden gebracht.
De F1-individuen zijn heterozygoot voor beide eigenschappen (AaBb) en kunnen de volgende geslachtscellen produceren:
•AB
•Ab
•aB
•ab
Om alle mogelijke genotypen en fenotypen in de F2-generatie te bepalen, gebruik je een schema. Hierbij combineer je elke mogelijke geslachtscel van de ene ouder met elke mogelijke geslachtscel van de andere ouder. Je zou eventueel direct het fenotype kunnen weergeven in dergelijke tabel.


In de F2-generatie ontstaat een karakteristieke fenotypische verhouding van 9:3:3:1:
•9 van de 16: Nakomelingen met beide dominante fenotypen (bijvoorbeeld zwart en effen). Deze hebben ten minste één grote A en ten minste één grote B in hun genotype.
•3 van de 16: Nakomelingen met één dominant en één recessief fenotype (bijvoorbeeld zwart en gevlekt). Deze hebben ten minste één grote A en twee kleine b's (bb) in hun genotype.
•3 van de 16: Nakomelingen met één recessief en één dominant fenotype (bijvoorbeeld rood en effen). Deze hebben twee kleine a's (aa) en ten minste één grote B in hun genotype.
•1 van de 16: Nakomelingen met beide recessieve fenotypen (bijvoorbeeld rood en gevlekt). Deze hebben twee kleine a's (aa) en twee kleine b's (bb) in hun genotype.
Een dihybride kruising als twee monohybride kruisingen beschouwen
Een dihybride kruising kan worden opgelost door deze te beschouwen als twee onafhankelijke monohybride kruisingen. De kansen op specifieke genotypen kunnen dan met elkaar worden vermenigvuldigd.
Voorbeeld:
•De kans op een homozygoot recessief genotype voor de eerste eigenschap (aa) bij een kruising van Aa x Aa is \frac14\frac{1}{\placeholder{}}11/.
•De kans op een homozygoot recessief genotype voor de tweede eigenschap (kleine b, kleine b) bij een kruising van Bb x Bb is \frac14\frac{1}{\placeholder{}}11/.
De kans op het genotype aabb is dan: \frac14.\frac14=\frac{1}{16}\frac14\frac14=\frac{1}{16}\frac14\frac14=\frac{1}{16}\frac14\frac14=\frac{1}{16}\frac14\frac{.1}{4}=\frac{1}{16}\frac14\frac{.1}{4}=\frac11\frac14\frac{.1}{4}=\frac{1}{\placeholder{}}\frac14\frac{.1}{4}=1\frac14\frac{.1}{4}=1/\frac14\frac{.1}{4}=1/1\frac14\frac{.1}{4}=1/16\frac14\frac{.1}{\placeholder{}}=1/16\frac14.1=1/16\frac14.=1/16\frac14=1/16\frac14x=1/16\frac14=1/16\frac14*=1/16\frac14*1=1/16\frac14*1/=1/16\frac14*1/4=1/16\frac{1}{\placeholder{}}*1/4=1/161*1/4=1/161/*1/4=1/16

Deze methode geldt voor alle combinaties en leidt tot de fenotypische verhouding 9:3:3:1 in de F2-generatie.













