Chemische vertering
Leerdoelen
•De werking van verteringssappen op moleculair niveau begrijpen
•De invloed van pH begrijpen
•De werking van verteringsklieren begrijpen
Speekselklieren
Stap 1: Chemische vertering begint al in de mond. In onze mond wordt namelijk speeksel aangemaakt door de speekselklieren en getransporteerd door de speekselklierkanalen. Een mens heeft een ondertong-speekselklier, een oorspeekselklier en een onderkaak-speekselklier.
Ons speeksel bevat amylase. Amylase breekt zetmeel af tot maltose (disaccharide). Amylase is een enzym en dit enzym werkt optimaal bij een pH van 6,6 (oftewel pH 6,6 is het optimum).
Speeksel bevat lipase en dit helpt bij het verteren van vet. De tong verteert al 20% van het vet voordat het de twaalfvingerige darm binnenkomt.

Slokdarm
Stap 2: Na de mond vindt er vertering plaats in de slokdarm. De slokdarm voegt geen verteringssappen toe aan het proces. Er vindt kort vertering plaats. De enzymen die uit de mond komen werken wel door in de slokdarm.

De maag
Stap 3: Na de slokdarm gaat de vertering van voedsel verder in de maag. In de maag is het erg zuur en daardoor stopt de werking van enzymen uit de mond. Het autonome zenuwstelsel regelt de afscheiding van maagsap. De maag regelt vervolgens dat het hormoon gastrine wordt aangemaakt.

Maagsapklieren
Maagsapklieren spelen een belangrijke rol in de vertering. Dit worden namelijk flink aan het werk gezet. Er zijn 3 soorten kliercellen en ze produceren allemaal wat anders. Dit is wat de kliercellen produceren:
•HCl (zoutzuur)
•Slijm (belangrijk voor bescherming van de maagwand)
•Pepsinogeen
Pepsinogeen is een inactief pro-enzym. Het is nodig voor de productie van pepsine. Een combinatie van pepsinogeen en HCl maakt pepsine. Pepsine versterkt de aanmaak van zichzelf. Dit zorgt voor een positieve terugkoppeling oftewel een zelfversterkend effect. (zie afbeelding). Pepsine splitst eiwitmoleculen in lange aminozuurketens. Pepsine werkt het beste bij een pH van 2,5 (optimum).

De twaalfvingerige darm
Stap 4: Het eten komt vervolgens, via de maag, in de twaalfvingerige darm terecht. In de maag was het erg zuur en de maagportier opent hangt af van de pH in twaalfvingerige darm.
Is het te zuur dan blijft de portier dicht.
Zuur stimuleert cellen in de wand van twaalfvingerige darm tot aanmaak en afgifte (secretie) van secretine en cholecystokinine.
Secretine stimuleert lever tot aanmaak van gal en secretine stimuleert alvleesklier tot aanmaak NaHCO3 (basisch!). De twaalfvingerige darm heeft inmiddels weer een lagere pH van 8 à 9 en daardoor kan de maagpoort weer open.
Cholecystokinine stimuleert de afgifte gal en van alvleessap. In alvleessap zitten enzymen die helpen bij de vertering van eiwitten, vet en koolhydraten.
Zie overzicht van de regulatie van pH in de maagportier:

De alvleesklier
Stap 5: De alvleesklier gaat zijn werk doen. De alvleesklier maakt alvleessap voor de vertering van eiwitten, vetten en koolhydraten. Hier vindt voornamelijk vetvertering plaats.
De alvleesklier maakt het enzym trypsinogeen aan. Een voorstadium van trypsine. In de wand van de twaalfvingerige darm wordt enterokinase gevormd. De enterokinase is een enzym dat ervoor zorgt dat trypsinogeen wordt omgezet in trypsine.

Dit zijn de enzymen in de alvleesklier:
•Trypsinogeen → trypsine: zet lange polypeptide-ketens om in korte ketens.
•Peptidasen: zetten korte ketens om in → dipeptiden, tripeptiden en losse aminozuren
•Amylase: Zet zetmeel om in maltose
•Lipase: Zet triglyceriden om tot glycerol en vetzuren en monoglyceriden

De enzymen bevatten ook DNA-ase en RNA-ase, hiermee wordt DNA/RNA omgezet in nucleotiden.
Dunne darm
Stap 6: Vervolgens komt het eten in de dunne darm. In de dunne darm is de pH gezakt naar 7. Darmsap bevat maltase, sacharase, lactase en peptidase. Maltose wordt in de dunne darm door middel van het maltase omgezet tot glucose.

Zetmeel wordt tijdens dit proces omgezet tot glucose en eiwitten tot aminozuren. Hieronder twee overzichten van de processen.
Zetmeel tot glucose:

Eiwit tot aminozuur





