Wanneer gebruik je nu het woord wie, die, dat, wat of waar? Om te beginnen is het belangrijk om te begrijpen dat we in dit geval spreken van een betrekkelijk voornaamwoord. Het betrekkelijk voornaamwoord verbindt twee zinnen en wijst terug naar een woord dat eerder is genoemd, het zogenaamde antecedent.
Die en dat
'Die' en 'dat' zijn de meest gebruikte betrekkelijke voornaamwoorden. Hier is hoe je ze toepast:
Die: verwijst naar een de-woord (mannelijke en vrouwelijke woorden) en meervouden.
Voorbeeld: De man die daar loopt. De kinderen die spelen.
Dat: verwijst naar een het-woord (onzijdige woorden).
Voorbeeld: Het boek dat op tafel ligt.
Wie
'Wie' wordt gebruikt als het verwijst naar personen en als er een voorzetsel voor staat.
Voorbeeld: Ashraf, bij wie ik lessen volgde, is verhuisd. De jongen met wie ik praatte, zit daar.
Waar(van)
'Waar(van)' wordt gebruikt bij dieren, dingen of plaatsen.
Voorbeeld: De kat, waarvan ik hield, is helaas gestorven. Het huis waar ik ben opgegroeid.
Wat
Wat' is een beetje ingewikkelder. Je kan dit betrekkelijke voornaamwoord namelijk in meerdere situaties gebruiken. Zo gebruik je wat om te verwijzen naar een onbepaald voornaamwoord, een overtreffende trap of een hele zin.
Voorbeelden:
Dit is het lelijkste wat ik ooit zag. (Verwijzing naar een hele zin)
Dat is alles wat ik weet. (Verwijzing naar een onbepaald voornaamwoord)
Dat is het mooiste wat ik ooit heb gezien. (Verwijzing naar een overteffende trap)
Ingesloten antecedent
Ook bestaat er een betrekkelijk voornaamwoord met een ingesloten antecedent, waarbij het antecedent niet duidelijk in de zin staat, maar impliciet in het betrekkelijk voornaamwoord zit. Bijvoorbeeld: 'Wie niet luisteren wil, moet voelen'.
- Extra uitleg en oefenen voor elk boek op school
- Stel vragen en krijg direct antwoord
- Video's, samenvattingen, oefenen, AI-tutor, woordjes leren en examentraining
