Sterke werkwoorden zijn werkwoorden waarvan de stam verandert in de verleden tijd. Denk bijvoorbeeld aan het Nederlandse "lopen" (ik loop - ik liep) of "zien" (ik zie - ik zag). Bij zwakke werkwoorden blijft de stam juist hetzelfde, zoals "koken" (ik kook - ik kookte).
In het Duits hebben sterke werkwoorden vaak ook een klinkerverandering in de stam in de tegenwoordige tijd, specifiek bij de du-vorm en de er/sie/es/man-vorm. De meest voorkomende veranderingen zijn:
-
De a-ä Wechsel: Als een sterk werkwoord een 'a' in de stam heeft, krijgt deze 'a' vaak een umlaut (ä) bij de du- en er/sie/es/man-vorm.
- Voorbeeld met 'a': fahren (rijden)
- ich fahre
- du fährst
- er/sie/es/man fährt
- wir fahren
- ihr fahrt
- sie/Sie fahren
- Voorbeeld met 'au': laufen (lopen)
- ich laufe
- du läufst
- er/sie/es/man läuft
- wir laufen
- ihr lauft
- sie/Sie laufen
-
De e-i of e-ie Wechsel: Als een sterk werkwoord een 'e' in de stam heeft, verandert deze 'e' vaak in een 'i' of een 'ie' bij de du- en er/sie/es-vorm. De truc zit hem in de uitspraak van de 'e':
- Spreek je de 'e' kort uit? Dan verandert de 'e' in een i.
- Voorbeeld: sprechen (spreken)
- ich spreche
- du sprichst
- er/sie/es spricht
- wir sprechen
- ihr sprecht
- sie/Sie sprechen
- Spreek je de 'e' lang uit? Dan verandert de 'e' in een ie.
- Voorbeeld: sehen (zien)
- ich sehe
- du siehst
- er/sie/es sieht
- wir sehen
- ihr seht
- sie/Sie sehen
Het is belangrijk om te onthouden dat deze regels alleen gelden voor de du- en er/sie/es/man-vorm en alleen in de tegenwoordige tijd.