Conditionals, ook wel voorwaardelijke zinnen genoemd, zijn zinnen die een voorwaarde en het mogelijke gevolg daarvan beschrijven. Ze worden gebruikt om uit te drukken wat er zou kunnen gebeuren, wat er zou zijn gebeurd, of wat er altijd gebeurt onder bepaalde omstandigheden. Er zijn vier hoofdtypen conditionals:
-
Zero Conditional
- Wanneer gebruik je het? Voor algemene waarheden, feiten die altijd waar zijn, of gewoontes.
- Hoe maak je het?
If + tegenwoordige tijd, (dan) + tegenwoordige tijd.
- Voorbeeld: "If it rains, it gets wet." (Als het regent, wordt het nat.) Dit is een algemeen feit.
-
First Conditional
- Wanneer gebruik je het? Als iets waarschijnlijk kan gebeuren, nu of in de toekomst. Het gaat om een realistische voorwaarde en een waarschijnlijk gevolg.
- Hoe maak je het?
If + tegenwoordige tijd, (dan) + will + hele werkwoord.
- Voorbeeld: "If it rains again later, we will stay inside." (Als het later weer regent, blijven we binnen.) Dit is een waarschijnlijke situatie.
-
Second Conditional
- Wanneer gebruik je het? Voor onmogelijke, onwaarschijnlijke of fantasiegebeurtenissen, nu of in de toekomst. Het wordt ook gebruikt om twijfel te uiten of advies te geven.
- Hoe maak je het?
If + verleden tijd, (dan) + would + hele werkwoord.
- Let op: Bij 'I' gebruik je 'were' in plaats van 'was' in het 'if'-gedeelte, hoewel 'was' in informele spraak soms voorkomt.
- Voorbeeld: "If I won the lottery, I would buy a castle." (Als ik de loterij zou winnen, zou ik een kasteel kopen.) Dit is een onwaarschijnlijke of fantasiegebeurtenis.
-
Third Conditional
- Wanneer gebruik je het? Voor iets wat definitief niet gebeurd is in het verleden en de denkbeeldige gevolgen daarvan. Het gaat vaak over spijt of gemiste kansen.
- Hoe maak je het?
If + voltooid verleden tijd, (dan) + would have + voltooid deelwoord.
- Voorbeeld: "If I had studied, I would have passed the test." (Als ik had gestudeerd, zou ik de toets hebben gehaald.) Dit drukt spijt uit over iets wat in het verleden niet is gebeurd.