Het herleven van de agrarisch-urbane samenleving, ook wel de landbouw-stedelijke samenleving genoemd, verwijst naar een periode vanaf ongeveer 1000 na Christus waarin steden en handel in Europa weer opkwamen na een periode van neergang in de vroege middeleeuwen (500-1000 n.Chr.). In een agrarisch-urbane samenleving werkt het grootste deel van de bevolking op het platteland in de landbouw, terwijl een groeiend deel in steden woont en daar werkt als handelaar of ambachtsman. Deze samenleving bestond al eerder, bijvoorbeeld in de tijd van de Grieken en Romeinen.
De belangrijkste oorzaken voor dit herleven waren:
-
Toegenomen veiligheid:
- Rond het jaar 1000 kwam er een einde aan de invallen van volkeren zoals de Vikingen en Magyaren. Deze invallen hadden eerder veel onrust veroorzaakt en handel bemoeilijkt.
- Door de grotere veiligheid konden nederzettingen en dorpen weer groeien.
- De handel kon zich herstellen, omdat reizen en het vervoeren van goederen veiliger werd.
-
Bloei van de landbouw:
- Ontginningen: Nieuw land, zoals bossen en moerassen, werd geschikt gemaakt voor landbouw. Dit zorgde voor meer landbouwgrond.
- Drieslagstelsel: Dit was een verbeterde methode van landbouw waarbij de akkers in drieën werden verdeeld. Elk jaar werd een ander deel bezaaid met wintergraan, zomergraan of bleef braak liggen (onbebouwd). Dit zorgde ervoor dat de grond vruchtbaar bleef en de opbrengst toenam.
- IJzeren ploeg: De introductie van de ijzeren ploeg maakte het mogelijk om zware grond dieper en efficiënter te bewerken dan met de oudere houten ploegen.
- Deze vernieuwingen leidden tot aanzienlijke landbouwoverschotten. Er werd meer voedsel geproduceerd dan de boeren zelf nodig hadden.
Deze landbouwoverschotten waren cruciaal, want ze maakten het mogelijk dat niet iedereen meer in de landbouw hoefde te werken. Mensen konden zich specialiseren in ambachten of handel, wat weer de groei van steden en de geldeconomie stimuleerde.