Biologie is de studie van het leven. Alle levende wezens noemen we organismen. Voorbeelden hiervan zijn dieren, planten, schimmels en bacteriën.
Om te bepalen of iets leeft, kijken we naar de zeven levenskenmerken die een organisme vertoont:
- Stofwisseling: Dit is het geheel van chemische processen in een organisme waarbij stoffen worden omgezet en energie wordt geproduceerd of verbruikt. Dit omvat processen zoals:
- Voeden: Het opnemen van voedingsstoffen om energie te krijgen voor processen en bouwstoffen voor groei en herstel. Een plant maakt bijvoorbeeld zijn eigen voedsel via fotosynthese, terwijl een dier voedsel eet.
- Gaswisseling: Het uitwisselen van gassen met de omgeving. Denk hierbij aan het opnemen van zuurstof en het afgeven van koolstofdioxide, zoals mensen doen bij ademhaling, of het opnemen van koolstofdioxide en afgeven van zuurstof bij planten tijdens fotosynthese.
- Uitscheiden: Het verwijderen van afvalstoffen die ontstaan zijn bij de stofwisseling. Mensen plassen en zweten afvalstoffen uit, en planten kunnen bijvoorbeeld zuurstof als afvalstof afgeven.
- Groeien: Dit betekent dat een organisme groter en zwaarder wordt door de aanmaak van nieuwe cellen of door celgroei. Een zaadje groeit uit tot een grote boom, en een baby groeit uit tot een volwassene.
- Ontwikkelen: Dit is het proces van veranderingen in vorm en functie van een organisme gedurende zijn levenscyclus, van geboorte tot volwassenheid en ouderdom. Een rups die verandert in een vlinder is een voorbeeld van ontwikkeling.
- Waarnemen: Organismen kunnen reageren op prikkels uit hun omgeving. Een plant draait zich naar het licht, en een dier reageert op geluid of aanraking.
- Voortplanten: Organismen produceren nakomelingen om hun soort in stand te houden. Dit kan seksueel (met twee ouders) of aseksueel (met één ouder) zijn, zoals een bacterie die zich deelt.
- Bewegen: Dit is het verplaatsen van het hele organisme of delen ervan. Een vogel vliegt, een mens loopt, en zelfs planten bewegen door bijvoorbeeld hun bladeren te openen en te sluiten of te groeien richting het licht.
Verder is het belangrijk om het verschil te kennen tussen:
- Leven: Een organisme dat de zeven levenskenmerken vertoont.
- Dood: Een organisme dat ooit leefde, maar nu geen levenskenmerken meer vertoont.
- Levenloos: Dingen die nooit hebben geleefd, zoals rotsen of water.
Ook is er een verschil tussen levensloop en levenscyclus:
- Een levensloop beschrijft de periode van geboorte tot dood van één organisme.
- Een levenscyclus omvat de ontwikkeling van een organisme én de voortplanting, waardoor de soort in stand blijft.