Wat zijn de definities van belangrijke scheikundige begrippen?

Wat zijn de definities van belangrijke scheikundige begrippen?

ScheikundeScheikunde

Wat zijn de definities van belangrijke scheikundige begrippen?

Wat zijn de definities van belangrijke scheikundige begrippen, inclusief de opbouw van een atoom met elektronenschillen, eigenschappen van metalen en de opbouw van het periodiek systeem?

Antwoord van Ainstein

Hier zijn de definities van belangrijke scheikundige begrippen, inclusief de opbouw van een atoom met elektronenschillen, eigenschappen van metalen en de opbouw van het periodiek systeem:

  • Molecuul: Een groep van twee of meer atomen die door chemische bindingen aan elkaar vastzitten.
  • Atoom: De kleinste eenheid van een chemisch element met behoud van de chemische eigenschappen.
  • Scheidingsmethoden: Technieken om componenten van een mengsel te scheiden op basis van stofeigenschappen.
  • Filtreren: Scheiding van vaste stof en vloeistof op basis van deeltjesgrootte.
  • Indampen: Scheiding van een vaste stof uit een vloeistof door de vloeistof te verdampen.
  • Extraheren: Scheiding op basis van oplosbaarheid, waarbij één stof oplost in een extractiemiddel.
  • Destilleren: Scheiding van vloeistoffen op basis van verschillen in kookpunt.
  • Chromatografie: Scheiding van stoffen op basis van aanhechtingsvermogen en oplosbaarheid.
  • Exotherm: Een proces waarbij energie (warmte) vrijkomt.
  • Endotherm: Een proces waarbij energie (warmte) wordt opgenomen.
  • Emulsie: Een troebel mengsel van twee niet-mengbare vloeistoffen.
  • Suspensie: Een troebel mengsel van een vloeistof en een onopgeloste vaste stof.
  • Oplossing: Een helder, homogeen mengsel van twee of meer stoffen.
  • Elektrovalentie: De lading van een ion, of het aantal elektronen dat een atoom opneemt of afstaat bij ionbinding.
  • Elektronenconfiguratie: De verdeling van elektronen over de energieniveaus en orbitalen van een atoom.
  • Massagetal: Het totale aantal protonen en neutronen in de kern van een atoom.
  • Isotopen: Atomen van hetzelfde element met een verschillend aantal neutronen.
  • Katalysator: Een stof die een reactie versnelt zonder zelf verbruikt te worden.
  • Zuur: Een stof die protonen (H+^+) afstaat in een oplossing.
  • Base: Een stof die protonen (H+^+) opneemt in een oplossing.
  • Zuiver covalente binding: Een atoombinding waarbij elektronen gelijkmatig worden gedeeld.
  • Polair covalente binding: Een atoombinding waarbij elektronen ongelijkmatig worden gedeeld door verschil in elektronegativiteit.
  • Ionbinding: Een binding door elektrostatische aantrekking tussen positieve en negatieve ionen.
  • Polair/Apolair: Polair verwijst naar een binding of molecuul met een ongelijke ladingsverdeling, apolair naar een binding of molecuul met een gelijkmatige ladingsverdeling.
  • Hydrofiel/Hydrofoob: Hydrofiel is waterminnend (lost goed op in water), hydrofoob is waterafstotend (lost slecht op in water).
  • Vanderwaalsbinding: Zwakke aantrekkingskrachten tussen moleculen door tijdelijke dipolen.
  • Waterstofbrug: Een relatief sterke intermoleculaire kracht tussen een waterstofatoom gebonden aan een sterk elektronegatief atoom (O, N, F) en een vrij elektronenpaar op een ander sterk elektronegatief atoom.
  • Micro/meso/macro niveau: Microniveau is het niveau van de kleinste deeltjes (atomen en moleculen), mesoniveau is een tussenliggend niveau, en macroniveau is het niveau van de waarneembare eigenschappen.
  • Neerslagreactie: Een chemische reactie in een oplossing waarbij twee opgeloste stoffen reageren en een onoplosbare vaste stof (het neerslag) vormen.
  • Monomeer: Een klein molecuul dat de bouwsteen vormt van een groter molecuul, een polymeer.
  • Polymeer: Een groot molecuul dat is opgebouwd uit vele herhalende eenheden van monomeren die door covalente bindingen aan elkaar zijn gekoppeld.
  • Hoe een atoom opgebouwd is (inclusief de K, L, M en N schil): Een atoom bestaat uit een kern met positief geladen protonen en neutrale neutronen. Rondom deze kern bewegen negatief geladen elektronen in specifieke banen, de zogenaamde elektronenschillen. Deze schillen worden van binnen naar buiten aangeduid met letters: de K-schil, L-schil, M-schil en N-schil. De verdeling van elektronen over deze schillen (elektronenconfiguratie) bepaalt de eigenschappen van een element.
  • Wat eigenschappen zijn van metalen: Metalen geleiden goed warmte en elektriciteit, hebben een glanzend oppervlak en zijn vervormbaar.
  • Hoe het periodiek systeem is opgebouwd: Het periodiek systeem is een tabel met alle bekende atoomsoorten, geordend op basis van hun atoomnummer (aantal protonen).
    • Groepen: Dit zijn de verticale kolommen, waarin elementen met vergelijkbare chemische eigenschappen staan, zoals de alkalimetalen (Groep 1), aardalkalimetalen (Groep 2), halogenen (Groep 17) en edelgassen (Groep 18).
    • Periodes: Dit zijn de horizontale rijen, waarin de atoommassa toeneemt. Elementen worden ook ingedeeld in metalen, niet-metalen en metalloïden.
Wil je betere cijfers halen?
  • Extra uitleg en oefenen voor elk boek op school
  • Stel vragen en krijg direct antwoord
  • Video's, samenvattingen, oefenen, AI-tutor, woordjes leren en examentraining