Een base is een stof die een pH heeft die hoger is dan 7. Hoe hoger het getal, hoe basischer de stof is. Basen kunnen een H+-ion opnemen. Er zijn vier soorten stoffen die als base kunnen fungeren:
- Zouten met hydroxide-ionen (OH−): Deze ionen zijn negatief geladen en trekken daardoor een positief H+-ion aan. Een voorbeeld is gootsteenontstopper.
- Zouten met oxide-ionen (O2−): Deze ionen zijn twee keer negatief geladen en kunnen daardoor sterk H+-ionen opnemen. Ze zitten bijvoorbeeld in ijzerroest.
- Zouten met een carbonaat-ion (CO32−): Dit ion is ook twee keer negatief geladen en kan H+-ionen opnemen. Je vindt ze in soda, kalksteen en ketelsteen.
- Ammoniak (NH3): Dit is een molecuul. Het stikstofatoom in ammoniak heeft een vrij elektronenpaar waarmee het een H+-ion kan binden. Ammoniak zit in ammonia.
Zuren zijn het tegenovergestelde van basen. Een zuur is een stof die H+-ionen kan afstaan. Dit zijn positief geladen waterstofdeeltjes. Hoe meer H+-ionen een zuur kan afstaan, hoe zuurder de stof is en hoe lager de pH-waarde. Een lage pH betekent dus een hoge zuurgraad.
Je kunt zuren vaak herkennen aan de letter H in hun molecuulformule, zoals HCl (zoutzuur) of H2SO4 (zwavelzuur). Wanneer je een zuur in water oplost, vallen de zuurmoleculen uit elkaar. Hierbij komen de H+-ionen los en bewegen ze vrij door de oplossing. Er komt dan ook een negatief geladen zuurrestion vrij.
Bekende zuren die je vaak tegenkomt zijn:
- Azijnzuur (CH3COOH) in azijn.
- Salpeterzuur (HNO3) in zure regen.
- Waterstofchloride (HCl), ook wel zoutzuur genoemd, in maagsap.
- Zwavelzuur (H2SO4) in accu's.