Een koninkrijk en een republiek zijn twee verschillende manieren waarop een land bestuurd kan worden, vooral wat betreft wie het staatshoofd is en hoe die persoon aan de macht komt.
-
Koninkrijk: In een koninkrijk is het staatshoofd een monarch, zoals eening of een koningin. Deze positie is meestal erfelijk, wat betekent dat de titel van ouder op kind overgaat. De macht van de monarch kan verschillen: in sommige koninkrijken heeft de koning of koningin veel politieke macht (absolute monarchie), terwijl in andere landen de macht van de monarch beperkt is door een grondwet en het parlement de meeste beslissingen neemt (constitutionele monarchie). Nederland, België en het Verenigd Koninkrijk zijn voorbeelden van constitutionele monarchieën.
-
Republiek: In een republiek is het staatshoofd een president. Deze president wordt gekozen door het volk of door vertegenwoordigers van het volk, voor een bepaalde periode. De positie van president is dus niet erfelijk. De president kan veel macht hebben (zoals in de Verenigde Staten) of voornamelijk een ceremoniële rol vervullen (zoals in Duitsland). Frankrijk en Italië zijn ook voorbeelden van republieken.
Het belangrijkste verschil zit dus in de manier waarop het staatshoofd wordt aangewezen (erfelijk versus gekozen) en de titel die het staatshoofd draagt (monarch versus president).