Het alles-of-nietsprincipe houdt in dat een zenuwcel (neuron) óf volledig reageert op een prikkel, óf helemaal niet. Er is geen sprake van een gedeeltelijke reactie. Dit betekent het volgende:
- Als een prikkel sterk genoeg is om de prikkeldrempel (drempelwaarde) te overschrijden, vuurt de zenuwcel met maximale sterkte een impuls af.
- Als de prikkel te zwak is en de drempelwaarde niet wordt bereikt, gebeurt er helemaal niets; de cel vuurt geen impuls af.
Dit principe is te vergelijken met een lichtschakelaar: hij staat aan of hij staat uit, er is geen tussenweg in de mate waarin het licht brandt.
Dit principe betekent ook dat de impulssterkte (de sterkte van de zenuwimpuls zelf) niet verandert als de prikkel sterker wordt, zolang de prikkeldrempel maar is overschreden. Een impuls heeft, zodra deze is opgewekt, altijd dezelfde sterkte. Als je bijvoorbeeld een zwaardere tas met boeken optilt, wordt de impulssterkte in de bewegingszenuwcellen van je rechterarm hierdoor niet sterker.
Wat wel verandert bij een sterkere prikkel (zoals het optillen van een zwaardere tas), is de impulsfrequentie. Hoe sterker de prikkel, hoe hoger de frequentie van de impulsen die door de zenuwcellen worden gestuurd. Dit betekent dat er meer impulsen per seconde naar de spieren worden gestuurd, waardoor de spieren harder werken en je arm sterker samentrekt om de zwaardere tas op te tillen.