Een parameter is een waarde die je kunt variëren binnen een functie. Je kunt het zien als een extra variabele die de vorm of positie van de functie beïnvloedt, maar die je voor een specifieke situatie vastzet. Voor elke waarde die je voor de parameter invult, krijg je een nieuwe, specifieke functie. Dit maakt het mogelijk om gemakkelijk oneindig veel functies te noteren die allemaal tot dezelfde 'familie' behoren.
Het verschil met een gewone variabele (zoals x in f(x)) is dat de variabele x binnen één functie kan veranderen om verschillende punten op de grafiek te vinden, terwijl een parameter (zoals p) de hele functie verandert.
Een voorbeeld is de functie f(x)=2x2−5x+p. Hier is p de parameter.
- Als je p=1 kiest, wordt de functie f(x)=2x2−5x+1.
- Als je p=10 kiest, wordt de functie f(x)=2x2−5x+10.
Zo zie je dat door de waarde van p te veranderen, je telkens een andere kwadratische functie krijgt, terwijl x de variabele blijft waarvoor je de functiewaarde berekent.