Een moment is het draaiende effect dat een kracht op een voorwerp uitoefent. Het zorgt ervoor dat een voorwerp om een vast punt, het draaipunt, gaat draaien. Denk bijvoorbeeld aan het openen van een deur: de kracht die je op de deurklink uitoefent, zorgt ervoor dat de klink draait.
De belangrijkste onderdelen die een moment bepalen zijn:
- De kracht (F): Dit is de grootte van de duw- of trekbeweging die je uitoefent, gemeten in newton (N).
- Het draaipunt: Dit is het vaste punt waar het voorwerp omheen draait (zoals het scharnier van de deurklink).
- De arm (l): Dit is de loodrechte afstand tussen de werklijn van de kracht en het draaipunt, gemeten in meter (m).
Het moment (M) kun je berekenen met de formule:
M=F⋅l
Hierin is:
- M het moment, uitgedrukt in newtonmeter (Nm).
- F de kracht, uitgedrukt in newton (N).
- l de arm, uitgedrukt in meter (m).
Een grotere kracht of een langere arm zorgt voor een groter moment, wat betekent dat het voorwerp makkelijker draait. Dit principe zie je bijvoorbeeld ook bij het losdraaien van een moer met een sleutel: hoe langer de sleutel (de arm), hoe minder kracht je hoeft te zetten om de moer te draaien.