De demografische transitie beschrijft de overgang van hoge geboorte- en sterftecijfers naar lage geboorte- en sterftecijfers in een land, vaak gerelateerd aan de economische en sociale ontwikkeling.
Het geboortecijfer is het aantal kinderen dat per jaar wordt geboren, en het sterftecijfer is het aantal mensen dat per jaar overlijdt. Beide worden meestal per 1000 inwoners berekend.
In minder ontwikkelde landen zijn deze cijfers vaak hoog:
- Hoog geboortecijfer omdat er minder anticonceptie beschikbaar is of wordt gebruikt, kinderen vaak als oudedagsvoorziening dienen (er is geen pensioen), en er sprake is van hoge kindersterfte.
- Hoog sterftecijfer door beperkte toegang tot goede medische zorg, weinig medicijnen en slechte hygiëne.
Als een land welvarender wordt, dalen deze cijfers:
- Eerst daalt het sterftecijfer door verbeterde medische zorg en hygiëne.
- Daarna daalt het geboortecijfer, omdat de kindersterfte afneemt, ouders minder afhankelijk zijn van kinderen voor hun oude dag, vrouwen vaker gaan studeren en werken, en anticonceptie makkelijker verkrijgbaar wordt.
Uiteindelijk zijn in ontwikkelde landen zowel het geboorte- als het sterftecijfer laag.