Het eerste kenmerkende aspect van de middeleeuwen is 'De opkomst van handel en ambacht die de basis legde voor het herleven van de agrarisch-urbane samenleving' (vanaf circa 1000). Dit aspect kan als volgt worden uitgelegd:
1. Wat is een agrarisch-urbane samenleving?
Een agrarisch-urbane samenleving is een landbouw-stedelijke samenleving. Dit betekent dat het grootste deel van de bevolking op het platteland werkt in de landbouw, terwijl een groeiend deel in steden woont en daar werkt als handelaar of ambachtsman.
2. Waarom 'herleven'?
Deze samenleving bestond al eerder, namelijk in de tijd van de Grieken en Romeinen (circa 3000 voor Christus – 500 na Christus). In de vroege middeleeuwen (500-1000 na Christus) was er juist een autarkische agrarische samenleving, ook wel het hofstelsel genoemd, waarbij men voornamelijk voor eigen behoeften produceerde.
3. Oorzaken van de herleving (Opkomst van handel en ambacht):
- Toegenomen veiligheid: Na circa 1000 na Christus kwam er een einde aan de invallen van volkeren zoals de Vikingen en Magyaren. Dit zorgde ervoor dat nederzettingen konden groeien en de handel zich kon herstellen.
- Bloei van de landbouw:
- Ontginningen: Nieuw land, zoals moerassen en bossen, werd geschikt gemaakt voor landbouw.
- Drieslagstelsel: Dit systeem zorgde ervoor dat de grond vruchtbaar bleef door jaarlijks een deel braak te laten liggen.
- IJzeren ploeg: De introductie van de ijzeren ploeg verbeterde de bewerking van zware grond.
Deze vernieuwingen leidden tot landbouwoverschotten.
4. Gevolgen van landbouwoverschotten:
- Bevolkingsgroei: Meer voedsel betekende dat meer mensen gevoed konden worden, wat leidde tot een toename van de bevolking.
- Specialisatie: Niet iedereen hoefde meer boer te zijn, waardoor mensen zich konden specialiseren in andere beroepen:
- Handel: De handel bloeide op, zowel op korte als lange afstand (denk aan handelsnetwerken zoals de Hanze).
- Ambacht: Mensen gingen zich richten op ambachten, zoals smeden, wevers en bakkers.
- Opkomst van steden: Steden werden de centra voor handel en ambacht, waar goederen werden geproduceerd en verhandeld.
- Opkomst van de geldeconomie: Geld werd opnieuw een belangrijk betaalmiddel, wat de handel verder stimuleerde.