Het weglatingsstreepje gebruik je om aan te geven dat een deel van een woord of een heel woord is weggelaten in een samentrekking. Samentrekkingen kunnen op verschillende niveaus voorkomen: op woordniveau, woordgroepniveau en zinsdeelniveau.
Je gebruikt het weglatingsstreepje vooral bij:
- Samentrekkingen op woordniveau: Hierbij wordt een deel van een woord weggelaten.
- Voorbeeld: Bij "land- en bosbouw" is "bouw" weggelaten na "land-", omdat het in het tweede deel van de samentrekking ("bosbouw") staat. Het weglatingsstreepje geeft aan dat er een deel van een woord ontbreekt.
- Gemengde samentrekkingen: Dit zijn samentrekkingen waarbij verschillende niveaus gecombineerd worden.
Je gebruikt geen weglatingsstreepje bij:
- Samentrekkingen op zinsdeelniveau: Hierbij wordt een heel zinsdeel weggelaten dat in beide delen van de zin hetzelfde is. Dit kan zowel voorwaarts als achterwaarts gebeuren.
- Voorbeeld: In de zin "Wij liepen en zij fietsten achter de wagen aan" is het zinsdeel "achter de wagen aan" weggelaten in het eerste deel van de zin ("Wij liepen"), omdat het in het tweede deel van de zin staat. Er wordt hier geen weglatingsstreepje gebruikt.
Het weglatingsstreepje is er dus om aan te geven dat een deel van een woord of een volledig woord is weggelaten, niet een heel zinsdeel.