Om het vermogen van lampje 2 in een parallelschakeling te berekenen, volg je de volgende stappen:
-
Bepaal de spanning over elk lampje.
In een parallelschakeling is de spanning over elk onderdeel gelijk aan de bronspanning. Aangezien de batterij een spanning van 6,0 V levert en de nominale spanningen van lampje 1 en lampje 3 ook 6 V zijn, is de spanning over elk lampje gelijk aan de bronspanning:
U1=U2=U3=Ubron=6,0 V
-
Bereken de stroomsterkte door lampje 1 (I1).
Gebruik de formule voor vermogen P=U×I.
Voor lampje 1 geldt:
P1=U1×I1
1,5 W=6,0 V×I1
I1=6,0 V1,5 W=0,25 A
-
Bereken de stroomsterkte door lampje 3 (I3).
Op dezelfde manier als bij lampje 1:
P3=U3×I3
2,1 W=6,0 V×I3
I3=6,0 V2,1 W=0,35 A
-
Bereken de stroomsterkte door lampje 2 (I2).
In een parallelschakeling verdeelt de totale stroom zich over de vertakkingen. De totale stroomsterkte (Itotaal) is de som van de stroomsterktes door de individuele lampjes:
Itotaal=I1+I2+I3
De stroommeter geeft een totale stroomsterkte van 0,80 A aan. Je kunt I2 berekenen door de stroomsterktes van lampje 1 en 3 van de totale stroomsterkte af te trekken:
0,80 A=0,25 A+I2+0,35 A
0,80 A=0,60 A+I2
I2=0,80 A−0,60 A=0,20 A
-
Bereken het vermogen van lampje 2 (P2).
Nu je de spanning over lampje 2 (U2) en de stroomsterkte erdoorheen (I2) weet, kun je het vermogen berekenen met de formule P=U×I:
P2=U2×I2
P2=6,0 V×0,20 A=1,2 W
Het vermogen van lampje 2 is dus 1,2 W.