Het humanisme en de heroriëntatie op de klassieke oudheid speelden een cruciale rol in het veranderende mens- en wereldbeeld tijdens de Renaissance.
Het humanisme was een denkstroming die de mens centraal stelde en een hernieuwde interesse toonde in de klassieke oudheid, de tijd van de Grieken en Romeinen. Humanisten, vaak geleerden, bestudeerden en vertaalden oorspronkelijke Griekse en Romeinse teksten kritisch. Een belangrijk voorbeeld is Erasmus, die door zijn kritische vertalingen van Bijbelteksten (zoals de Vulgaat) fouten ontdekte. Dit leidde tot twijfel aan de absolute waarheid van de kerkelijke leer en stimuleerde mensen om zelf kritisch na te denken. Het humanisme benadrukte het menselijk potentieel en de waarde van het aardse leven.
De klassieke oudheid diende als inspiratiebron voor een nieuw mens- en wereldbeeld. De aandacht verschoof van het hiernamaals (memento mori – gedenk te sterven) naar het genieten van het leven op aarde (carpe diem – pluk de dag), waarbij de mens als individu centraler kwam te staan. Kunstenaars en wetenschappers, zoals Leonardo da Vinci en Michelangelo, bestudeerden de menselijke anatomie en verhoudingen nauwkeurig om hun werk zo realistisch mogelijk te maken. Zij belichaamden het ideaal van de homo universalis, de universele mens die uitblonk in zowel kunst als wetenschap, en lieten zien waartoe de mens in staat was. Dit versterkte het geloof in menselijke capaciteiten en intelligentie en plaatste de mens letterlijk en figuurlijk centraal in kunst en wetenschap. De aanwezigheid van klassiek erfgoed in Italië en de kennis die via handel en vluchtelingen (na de val van Constantinopel) uit de klassieke cultuur binnenkwam, wakkerden deze interesse verder aan.