Om de normaal en lichtstralen bij een spiegel te tekenen, volg je de volgende stappen:
- Teken de spiegel: Begin met het tekenen van een rechte lijn die de spiegel voorstelt. Je kunt aan één kant kleine streepjes tekenen om aan te geven dat dit de achterkant van de spiegel is.
- Bepaal het invalspunt: Dit is de plek op de spiegel waar de lichtstraal de spiegel raakt. Markeer dit punt.
- Teken de normaal: De normaal is een denkbeeldige lijn die loodrecht (onder een hoek van 90 graden) op het oppervlak van de spiegel staat, precies op het invalspunt.
- Plaats je geodriehoek zo dat de nullijn precies op de spiegel ligt en het middelpunt van de geodriehoek op het invalspunt.
- Teken een stippellijn (om aan te geven dat het een denkbeeldige lijn is) recht omhoog vanaf het invalspunt, loodrecht op de spiegel. Dit is de normaal. Alle hoeken meet je ten opzichte van deze lijn.
- Teken de invallende lichtstraal: Dit is de lichtstraal die op de spiegel valt.
- Teken een rechte lijn die naar het invalspunt op de spiegel loopt.
- Plaats een pijl op deze lijn om de richting van het licht aan te geven (naar de spiegel toe).
- De hoek tussen de invallende lichtstraal en de normaal noemen we de hoek van inval (vaak aangeduid met i). Meet deze hoek met je geodriehoek.
- Teken de teruggekaatste lichtstraal: Dit is de lichtstraal die door de spiegel wordt teruggekaatst.
- De wet van terugkaatsing stelt dat de hoek van inval altijd gelijk is aan de hoek van terugkaatsing. De hoek van terugkaatsing (vaak aangeduid met r) is de hoek tussen de teruggekaatste lichtstraal en de normaal.
- Meet vanaf de normaal, aan de andere kant van de normaal dan de invallende straal, een hoek die precies even groot is als de hoek van inval.
- Teken vanuit het invalspunt een rechte lijn in de richting van deze gemeten hoek.
- Plaats een pijl op deze lijn om de richting van het licht aan te geven (weg van de spiegel).
Door deze stappen te volgen, kun je nauwkeurig de normaal en de invallende en teruggekaatste lichtstralen bij een spiegel tekenen.