Absoluut! Laten we de formule (x+2)2−(x−3)(x+1) stap voor stap uitwerken. Zo zie je precies wat er gebeurt!
Stap 1: Werk het eerste deel uit: (x+2)2
Dit betekent (x+2)⋅(x+2). Je vermenigvuldigt elk deel met elkaar:
(x+2)2=x⋅x+x⋅2+2⋅x+2⋅2
x2+2x+2x+4
x2+4x+4
Stap 2: Werk het tweede deel uit: (x−3)(x+1)
Ook hier vermenigvuldig je elk deel met elkaar (denk aan de 'FOIL'-methode: First, Outer, Inner, Last):
(x−3)(x+1)=x⋅x+x⋅1−3⋅x−3⋅1
x2+x−3x−3
x2−2x−3
Stap 3: Trek het tweede deel af van het eerste deel
Nu zetten we de uitkomsten van Stap 1 en Stap 2 weer samen, maar let op de min! Die min geldt voor alles wat tussen de haakjes van het tweede deel staat.
(x2+4x+4)−(x2−2x−3)
x2+4x+4−x2+2x+3 (De min voor x2 maakt het −x2, de min voor −2x maakt het +2x, en de min voor −3 maakt het +3).
Stap 4: Herleid de termen
Nu gaan we de gelijksoortige termen bij elkaar optellen of aftrekken:
- De x2-termen: x2−x2=0
- De x-termen: 4x+2x=6x
- De losse getallen: 4+3=7
Als je dit allemaal combineert, krijg je:
6x+7
En dat is het uiteindelijke antwoord!